>> Home <<

 

Burkaverbod – een symbolische knieval voor de onderbuik

Inleiding

De aanstaande regering gooit onder meer het burkaverbod in de strijd om onze nationale identiteit en de nationale waarden in ere te herstellen. Die identiteit was in de naoorlogse jaren vooral door toedoen van allerlei linkse hobby’s te grabbel gegooid. Dieptepunt was de afkondiging van de multiculturele samenleving aan het begin van de jaren negentig. Deze verkwanseling ging gepaard met een verregaande verloedering van de samenleving. De overlast die we ondervinden, heeft ervoor gezorgd dat een grote groep in de samenleving zich heeft afgekeerd van de bestaande politiek. Men heeft genoeg van de mooipraterij en het toedekken van de problemen. Men heeft geen vertrouwen meer in het politieke establishment. Het is dus hoog tijd dat er een halt wordt toegeroepen aan de verloedering van Nederland, te beginnen met de islamisering.

 

Is dat het hele verhaal? Nee, onder de oppervlakte is er natuurlijk meer aan de hand. Deze verhandeling is een poging om wat dieper in te gaan op de problematiek van de maatschappelijke verloedering. Het is wenselijk om bovenstaande platte beschrijving in een breder cultureel perspectief te plaatsen. Daartoe moeten we eerst de vraag stellen wat we onder cultuur verstaan. Die vraag is niet eenduidig te beantwoorden en daarmee hebben we meteen het lastigste gedeelte van deze verhandeling te pakken.

 

Voor het ontstaan en onderhouden van cultuur hebben mensen een specifiek vermogen nodig. Dat vermogen kunnen we aanduiden met de term ‘dispositie’.

Cultuur is geen vaststaand gegeven. Cultuur is voortdurend in beweging. De geschiedenis laat ons zien dat het een voortgaande, maar zo nu en dan ook terugkerende beweging betreft. Maarten Toonder heeft deze culturele beweging ooit treffend geïllustreerd met zijn verhaal Het Monster Trotteldrom.

 

Het lijkt erop dat we sinds de Tweede Wereldoorlog in een voortgaande beweging zijn geraakt, maar de hierboven beschreven problematiek doet vermoeden dat we al weer over het hoogtepunt heen zijn. Wat is de oorzaak van deze culturele terugval? Zijn de voorgenomen regeringsmaatregelen afdoende om die terugval te stuiten of versterken die juist de ingezette trend?

 

Enkele belangrijke factoren in de culturele dynamiek zijn: de westerse markteconomie, de vrijwel autonome ontwikkeling van wetenschap en techniek en de hiermee gepaard gaande globalisering. In toenemende mate zorgen zij ervoor dat de culturele dynamiek een soort vlucht vooruit is. Een gevolg hiervan – maar feitelijk ook een voorwaarde hiervoor – is de hedendaagse consumptieve zelfexpressie van het individu.

 

In het licht hiervan beschouw ik drie mogelijke manieren om bovengeschetste problematiek gunstig te beïnvloeden. Het betreft (1) het versterken van de eigen culturele identiteit, (2) het terugdringen van het globalisme en (3) het herstellen van het vermogen tot dispositie. Ik ga onder meer te rade bij Plato, Aristoteles, Nietzsche en Verhoeven.

 

In de loop van het betoog word ik zelf bevangen door een akelig voorgevoel. Maakt er zich soms ergens een monster op om uit te breken en onze cultuur te gronde te richten? Uiteindelijk ga ik te rade bij Smoris Trot, de nationale veiligheidscoördinator van het eiland Trottel die aangesteld is om meteen in te grijpen bij het geringste akelige voorgevoel. Als geen ander is hij bekend met dit soort ongrijpbare monsters.

Cultuur en dispositie – gepaste afstand van de natuur

Door de eeuwen heen zijn mensen beducht geweest voor de vreemdeling. Ieder mens is behept met oeroude reflexen om te overleven in kleine, rondzwervende en elkaar beconcurrerende groepen. Van oorsprong zorgde het groepsverband voor een onderscheid tussen vertrouwd en vreemd. Groepsidentiteit was cruciaal voor overleving. Xenofobie, de angst voor de vreemdeling, is een evolutionaire verworvenheid, een natuurlijke reflex waarmee we ook vandaag de dag rekening moeten houden.

 

In grotere samenlevingen is het de cultuur die een tegenwicht biedt tegen de driftmatige menselijke natuur. Cultuur is de opschorting van de natuur. Voor een samenleving biedt cultuur de ruimte in denken en handelen om de natuur – zowel de omringende als de innerlijke – te beteugelen, om risico’s effectief te verminderen en angsten te bezweren. Onder cultuur verstaan we ook het concrete resultaat van deze beteugeling –  de bedekking van ons lichaam, het dak boven ons hoofd, de voorraadschuur en de stadsmuur. Tegelijkertijd is het meer abstract – de bouwkunst, de kookkunst, de schilderkunst en de politiek. Het is zelfs een metafysisch begrip dat verwijst naar patronen van menselijk gedrag en symbolische structuren die dit gedrag in relatie brengen met waarden en betekenissen.

 

Een belangrijke voorwaarde voor het ontstaan en voortbestaan van cultuur is gelegen in een specifiek menselijk vermogen. We kunnen tot op zekere hoogte afstand nemen van onze natuurlijke neigingen en we kunnen hierbij uitstel verdragen. Zo hebben we de macht van de onderbuik getemperd door kookkunst en erotiek – we hebben geleerd om geduld te hebben, alvorens toe te happen. We kunnen terughoudend zijn.

Sociale waarden, zoals verdraagzaamheid en tolerantie en beginselen zoals vrijheid, gelijkheid en broederschap leerden ons weerstand te bieden tegen het ongebreidelde recht van de sterkste. Cultuur is een vorm van uitstel. ‘Het menselijke ontstaat tussen de behoefte en de uitgestelde bevrediging in’, aldus Cornelis Verhoeven.

 

Aristoteles noemt in dit verband het begrip ‘dispositie’ (hexis). ‘Met disposities bedoel ik datgene wat we hebben op grond waarvan het goed of slecht met ons gesteld is ten aanzien van de emoties. We hebben bijvoorbeeld een slechte dispositie ten opzichte van woede als we op heftige wijze of ongeremd woedend worden, en een goede dispositie, als we woedend worden op een manier die het midden houdt; en dit geldt ook ten opzichte van de andere emoties.’ Levenskunst is voor een belangrijk deel gebaseerd op een gepaste afstand van de emoties. Hierbij moet worden aangetekend dat emoties volgens Aristoteles tot het terrein van het fysieke lichaam behoren. Emoties zijn in die zin te beschouwen als lichamelijke driften.

 

In het bovenstaande is beslist geen heldere definitie gegeven van het begrip cultuur. Het is eerder een soort verbeelding van het begrip. Er zijn nu eenmaal begrippen waarvoor geen heldere definitie gegeven kan worden zonder haar essentie geweld aan te doen.

Met deze fundamentele begripsonduidelijkheid moeten we rekening houden. Ook in de politieke discussie over de vermeende islamisering van Nederland. In die discussie spelen ook diverse aan cultuur gerelateerde begrippen een rol, zoals nationaliteit, religie, beschaving en identiteit. Soms wordt zelfs het Hegeliaanse begrip tijdgeest erbij gehaald. Het is onmogelijk om in deze discussie een verbaal zuiver discours te houden. Veelal moeten we ons bedienen van beelden en alledaagse spreektaal.

Culturele dynamiek

Cultuur heeft dus iets te maken met afstand, uitstel en ruimte. Cultuur gaat gepaard met een veilige ruimte waarbinnen de invloed van de natuur draaglijk is en waarbinnen we ook elkaar kunnen verdragen. Binnen die ruimte voelen we ons vertrouwd. De dingen en de mensen hebben hun vertrouwde identiteit. En het is dispositie die deze ruimte mogelijk kaakt.

Maar het omgekeerde geldt ook – binnen de ruimte is dispositie mogelijk. Buiten de ruimte kan dispositie ons echter fataal worden. Buiten die grenzen heerst het vreemde, daar loert het gevaar. Daar moeten we vertrouwen op onze instincten, op onze lichamelijke driften, op de onderbuik.

 

We moeten we ons onze cultuur eigen maken en we moeten hem ook onderhouden. Ieder individu moet zich een eigen dispositie aanleren. Dat vergt opvoeding, het goede voorbeeld en oefening. We moeten het uitstel leren verdragen. Laten we dit in groten getale na dan bestaat het risico dat onze cultuur op den duur verschrompelt. De ruimte wordt kleiner, de grenzen worden nauwer en meer rigide. Onze samenleving raakt in zichzelf gekeerd, soms zozeer dat de individuele vrijheid in het gedrang komt.

 

Daartegenover bestaat er ook een risico dat de gecreëerde ruimte te groot wordt. We gaan slaan de signalen van onze onderbuik in de wind en we verliezen ons in ideële vergezichten en luchtfietserij. Met als gevolg dat de cultuur bezwijkt onder de angsten en driften van haar individuen. Kortom, een te groot uitstel van de natuur kan ons op den duur ook fataal worden.

 

Cultuur wordt weerspiegeld in de wijze waarop we leven en in de waarden die we daarbij van belang achten. Die levenswijze is doorgaans herkenbaar. In dat opzicht is er sprake van een culturele identiteit.

Culturen verschillen onderling, niet alleen op het gebied van menselijke uitdrukkingswijzen, betekenissen en waarden, maar ook in het open of gesloten karakter van de cultuur. Culturen kunnen verschrompelen en in zichzelf gekeerd raken, maar ze kunnen uitdijen en meer open worden.

Dit laatste is zichtbaar in bepaalde perioden van de cultuurgeschiedenis. Bijvoorbeeld aan het begin van de zesde eeuw voor Chr. Rondom het oostelijk deel van de Middellandse Zee nam toen het handelsverkeer toe met als gevolg uitwisseling en assimilatie van lokale culturen. Met de opkomst van de Griekse stadstaat begon het tijdperk van de Rede.

 

Een latere verruiming van – vooral westerse – culturen is waarneembaar aan het einde van de vijftiende eeuw, wanneer men de wereldzeeën gaat bevaren. De blik van de middeleeuwer was overwegend gericht op het verleden en op het innerlijk. De eeuwenoude Heilige Schrift was zowel de grote inspiratiebron als het uiteindelijke doel van de cultuur. Maar omstreeks de vijftiende eeuw werd de blik steeds meer naar buiten gericht. Hiervan getuigt bijvoorbeeld de opkomst van de empirische wetenschappen. Zoals gewoonlijk lopen de beeldende en muzische kunsten hierin voorop. Denk aan de introductie in de muziek van de polyfonie, de terts en de grondtoon en de opkomst van perspectief en realisme in de schilderkunst. Al in de veertiende eeuw laten deze kunstuitingen zien dat de mens vaste grond onder de voeten krijgt en om zich heen gaat kijken.

 

In de afgelopen millennia is er in de westerse geschiedenis een trend waarneembaar naar een steeds grotere ruimte en meer open cultuur. Deze trend zet zich door tot de dag van vandaag. Hiervan getuigen fenomenen als de globalisering en de multiculturele samenleving. Het heeft zich echter wel voltrokken als een soort Echternachse processie – twee stappen vooruit, een stap achteruit. Soms werden er in korte tijd forse stappen terug gedaan. Denk aan de ondergang van het Romeinse Rijk en de opkomst van het Derde Rijk.

Het monster Trotteldrom

Een illustratief beeld van de bovengenoemde culturele dynamiek is geschetst door Maarten Toonder in zijn Monster Trotteldrom. Hierin beschrijft hij de lotgevallen van de Trotten, bewoners van het eiland Trottel. Niet een of ander achtergebleven eiland, ‘maar voorgeraakt! Nergens is men zover als bij ons’, aldus Travelijn Trot die de hulp inroept van Olie Bommel en Tom Poes. Sinds jaar en dag wordt het eiland geteisterd door het monster Trotteldrom. Op gezette tijden duikt het monster op, verwoest het eiland en trekt zich dan weer terug in de Grote Grot. ‘Alles vergaat, maar het monster wandelt in de eeuwigheid.’

 

De Trotten zijn een ‘voorlijk volkje’, zo krijgen de hulpbieders te horen. ‘Jullie vreemdelingen zijn allemaal gelijk, verweekt en verpapt. Maar wij zijn voorgeraakt. Geen opschik. Eerlijke, gewone vormgeving, daar gaat het ons om.’ Maar op gezette tijden krijgen de Trotten een voorgevoel: het monster komt! En telkens komt dit akelige voorgevoel uit. Dan komen alle Trotten onrustig in beweging en verdwijnen eendrachtig in een achterwaartse beweging in de vluchtgaten.

Het duurde nooit lang. De rotsblokken voor de uitgang van de Grote Grot vielen dan dreunend naar beneden. Te midden van stofwolken en dof gebrom kwam het ondier kronkelend te voorschijn en liet een spoor van vernieling achter op zijn pad.

Wanneer het monster zijn verwoestende werk had verricht, kwamen de Trotten weer beduusd te voorschijn. En nadat ze weer bij zinnen waren gekomen, verspreidden ze zich weer over het eiland om vol goede moed met de wederopbouw te beginnen.

 

Tom Poes vindt uiteindelijk de oorzaak van dit mysterie. De vluchtgangen van de Trotten komen uit in de Grote Grot. De achterwaarts vluchtende Trotten en het voortrazende monster blijken één en dezelfde te zijn.

'Het m-monster,' sprak hij met dunne stem. 'Ik bedoel: Trotten! Het monster bestaat uit Trotten, bedoel ik, als je begrijpt wat ik bedoel! Hoe kan dat?' [...] 'Wij begrijpen het niet,' sprak de voorste bekommerd. 'De meerderheid hier heeft ontdekt, dat wij zelf het monster zijn. Hoe kan dat? Wij zijn een voorgeraakt volk, eendrachtig en eensgezind. En nu dit! Hoe komen we zo gek?' 'Hm,' zei Tom Poes. 'Dat komt door al die eendracht, denk ik. Een menigte wordt altijd een monster ...'

 

De Trotten vormen een nijver en trendgevoelig volkje. Ze lopen altijd voorop. Ze zijn gevoelig voor alle trends die in de lucht hangen en volgen die eendrachtig. Een stabiel evenwicht is hen vreemd, ze moeten altijd voort, de vooruitgang achterna. Het gevolg is een geregeld samendrommen van de meute, een terugkerende verschrompeling van de culturele ruimte, een periodieke catharsis.

Dispositie is hier het toverwoord. Tom Poes had voldoende afstand om niet meegesleurd te worden in de drang naar achteren (noch de drang naar voren). En zo zag hij wat er werkelijk gebeurde.

 

‘Het schrandere volkje begreep […] dat het op zijn hoede moest zijn voor nieuwe monstervorming. Daarom hadden ze Smoris Trot benoemd tot Trotteldrombestrijder.’ In de menselijke werkelijkheid is dispositie cruciaal voor het in stand houden van de cultuur. Maar daarmee is de kous niet af. De geschiedenis leert dat we doorgaans onvoldoende lering trekken uit de lessen van het verleden. Telkens blijkt dat het heldere zicht op de werkelijkheid ontbreekt. Achteraf is alles te verklaren, maar op het moment zelf hebben we allemaal onze  eigen werkelijkheid. Bovendien blijkt telkens dat het heden een andere gedaante aanneemt dan het verleden. Kortom onze voorgevoelens zijn allesbehalve betrouwbaar. Voortdurend hebben we te maken met ontwikkelingen die ons begrip te boven gaan. Daarover straks meer.

 

Wat zou een Smoris Trot in de huidige maatschappelijke en politieke ontwikkelingen kunnen doen? Volgens Toonder is hij ‘gereed om in te grijpen bij het geringste voorgevoel’. Concreet betekent dit dat hij een ontluikend voorgevoel zoveel en zo spoedig mogelijk moet neutraliseren met de harde feiten uit de werkelijkheid. Voorkomen moet worden dat het akelige voorgevoel een ingekapselde waarheid wordt en als zodanig een eigen leven gaat leiden. Voorkomen moet worden dat we hierdoor massaal in een achterwaartse beweging belanden. Zoveel mogelijk neutraliseren en de-escaleren van elk ontluikend voorgevoel – dat is zijn devies.

Nederland na de Tweede Wereldoorlog

Het is een feit dat we de genoemde perioden van uitdijing van de culturele ruimte doorgaans positief beoordelen en de perioden van inkrimping negatief. Dit feit weerspiegelt de algemene westerse waardering voor het fenomeen vooruitgang. De mensen die de culturele bakens verzet hebben, worden gezien als helden van de geschiedenis – Plato, Aristoteles, Columbus, Da Vinci, Galilei, Darwin, Van Gogh, Einstein en Mandela.

 

De uitdijing van een cultuur wordt doorgaans gekenmerkt door een mate van onbevangenheid of onverschrokkenheid. Nieuwe mogelijkheden en denkwijzen worden omarmd. De inkrimping gaat vooral gepaard met angst voor de toekomst, afscherming voor het nieuwe en wantrouwen ten aanzien van ongewoon gedrag en denken.

De opkomst van het nazisme ten tijde van de teloorgang van de Weimar republiek luidde de afkeer in van afwijkende denkwijzen en kunstuitingen. Het leidde tot het verbranden van onwelgevallige lectuur en het stigmatiseren en vervolgens uitsluiten van grote groepen in de samenleving. Ruimdenkendheid maakte plaats voor een eenduidige, gesloten ideologie, voor eendracht en eenkennigheid. De cultuur ontwikkelde zich in een razend tempo van een uiterst hoogstaande en pluriforme tot een verkrampte en platte uniformiteit. Een groot deel van de westerse wereld werd meegesleurd in de achterwaartse beweging en voor velen was de catharsis verschrikkelijk.

 

De wederopbouw in het naoorlogse Nederland ging gepaard met een streven naar stabiliteit en een afkeer van culturele en maatschappelijke verandering. Eerst moest de samenleving tot rust en bezinning komen. Het verdriet en de haat moesten in stilte verwerkt worden. Na zoveel barbaarsheid en willekeur waren orde en burgerfatsoen een pure noodzaak. Na zoveel verwoesting en verlies was bezit, bescherming en behoudendheid een vanzelfsprekendheid. Na alle onrechtvaardigheid en vernedering waren autoriteit, status en stand de normaalste zaak van de wereld.

Op andere terreinen was beslist geen sprake van rust. Wetenschap en technologie ontwikkelden zich op nog stormachtiger wijze dan voor de oorlog. De economische ontwikkeling bracht de nieuwe technieken binnen handbereik van iedereen. Plastic en elektronica vonden hun weg naar iedere huiskamer. Ze zorgden voor nieuwe, ongekende mogelijkheden. Kon de mens voorheen verder dromen dan zijn technische mogelijkheden, tegenwoordig overtreffen de technische mogelijkheden onze stoutste dromen.

 

Maar diezelfde technische mogelijkheden zetten veel van wat voorheen vaststaand was op losse schroeven. ‘Wat niet voorbijgaat is waardeloos en vervelend om geen andere reden dan dat het niet voorbijgaat. […] Voor ons is “modem” een ander woord voor “waar” geworden, bijna een synoniem voor “goed” en “betrouwbaar”. Wat volgens een moderne methode gebeurt, daarvan nemen we aan dat het goed gebeurt. […] Het kan vandaag anders zijn dan morgen, maar dan zal het morgen wel weer beter en moderner zijn. […] Het ritme van ons leven wordt niet door eeuwige waarheden bepaald, maar door de afschrijving van zogenaamde duurzame consumptiegoederen.’ Aldus Cornelis Verhoeven. Een geestelijke verandering was ten langen leste niet meer tegen te houden.

 

Eind jaren zestig brak een emancipatie- en democratiseringsgolf los in allerlei sectoren van de samenleving. Universiteiten werden vrijplaatsen voor theoretische discussies over maatschappijhervorming. Met speels gemak werden Mao, Fidel Castro, Nyerere of Ceauşescu als lichtend voorbeeld naar voren geschoven. Het was vooral linkse retoriek die de klok sloeg, vaak tot groot ongenoegen van conventionele denkers en meer belezen lieden. Verhoeven: ‘De dwingende leus was dat alles “anders” moest, maar omdat niemand wist hoe het moest en de dwingelanden het aan andere overlieten hun ideeën uit te voeren, kon die leus alleen maar ontwrichtend gedram van verwende kinderen zijn.’

 

Op hun beurt bestempelden de linkse intellectuelen de naoorlogse maatschappij en haar bestuurders als bekrompen en kleinburgerlijk. Het geloof in verandering en de hoop op een betere samenleving waren vurig, maar naïef – naïef in die zin dat men de wereld met een grote onbevangenheid tegemoet trad. All you need is love. Liefde en vrede werden gepropageerd als wondermiddel tegen het vastgeroeste verleden. Het waren magische begrippen die geen nadere invulling behoefden, woorden waarvan men niet is staat was de identiteit nader vast te leggen. Deze uitgestelde identiteiten werden in de strijd geworpen tegen de verstarde maatschappelijke structuren. Men was naïef, maar ook onconventioneel en creatief. Met als gevolg een stortvloed aan wilde ideeën (‘moet kunnen’). De deuren werden wijd open gezet voor vernieuwingen.

 

Met name bij de intelligentsia ontstond een levendige belangstelling voor uiteenlopende culturen. Mensen lieten zich inspireren door oosterse religies of Zuid-Amerikaanse bevrijdingsbewegingen. Het was alsof de grenzen naar de rest van de wereld vervaagden. Voor sommigen was dat daadwerkelijk zo – men ging op reis naar India, Afghanistan, Nepal of Nicaragua met een rugzak vol idealen of verlangen naar grensoverschrijdende spiritualiteit.

Ook op andere gebieden vervaagden grenzen. Het wereldwijde toerisme nam een grote vlucht.  Veel ingrijpender evenwel was de sterke toename van de wereldhandel. De multinationals kwamen op – economische grootmachten waarvan de belangen niet langer aan landsgrenzen gebonden waren. Meer en meer werd de aarde één markt. De globalisering was ingezet.

Onevenwichtige globalisering

Hoe open kan een cultuur zijn? Hoe veelomvattend kan een samenleving nog zijn, alvorens de cultuur bezwijkt onder de angsten en driften van haar individuen? Hoeveel uitstel van de innerlijke natuur kunnen individuen verdragen? Dit zijn klemmende vragen in verband met de huidige globalisering. ‘Hoeveel globalisering verdraagt een mens’ is de veelzeggende titel van een boek van Safranski.

In principe zou je verwachten dat de globale, multiculturele samenleving het hoogtepunt vormt van de menselijke cultuur. Alles en iedereen verenigd onder het beginsel vrijheid, gelijkheid en broederschap – het eeuwenoude ideaal van één mensheid gerealiseerd. Op haar hoogtepunt zou de cultuur in staat moeten zijn tegenwicht te bieden tegen de angst voor al het vreemde en voor alle vreemdelingen in de wereld. Dat het ideaal van de multiculturele samenleving in de afgelopen decennia afgefloten is, bewijst dat het benodigde culturele tegenwicht ontbreekt.

 

Globalisering speelt zich af op uiteenlopende maatschappelijke terreinen. De belangrijkste terreinen zijn economisch, technisch-wetenschappelijk, communicatief en het terrein van de culturele identiteit. Een inherent gevaar van de globalisering is dat haar opkomst niet gelijkmatig is op alle terreinen. Op het terrein van de economie, van wetenschap en techniek en van communicatie worden grote slagen gemaakt, maar op cultureel gebied blijven we achter. De huidige globalisering wordt vooral ingegeven door economische motieven.

 

De mondiale vrije markt richt zich met voorrang op westerse belangen. Primaire oogmerken zijn de eigen binnenlandse economie en de exploitatie van uitheemse hulpbronnen. Met als resultaat een vrije beweging van goederen en kapitaal op zoek naar optimale prijzen en winsten. De ervaring leert dat dit alleen mogelijk is bij een voortdurend toenemende consumptie en toenemende arbeidsproductiviteit.

 

De vrije markt beoogt een voortdurend stijgend welvaartspeil en stelt de westerse wereld in staat om er een hoge, consumptieve en verspillende levensstandaard op na te houden. In verband hiermee hebben we een tijdlang geleefd met een geruststellende heilsverwachting. Volgens de achterliggende neoliberale ideologie zou een mondiale vrije markt als zelfregulerend systeem leiden tot een wereldwijd optimum van welzijn en welvaart – een soort Pax Mercatura. Hoewel steeds meer signalen, waaronder ingrijpende financiële crises, erop wijzen dat deze heilsverwachting een utopie is, worden economische ontwikkelingen min of meer beschouwd als autonome ontwikkelingen. Een drijvende kracht hierachter is onze onverbeterlijke hebzucht. Onze moraal is slechts in beperkte mate in staat hier iets tegenover te stellen.

 

Een dergelijke autonomie geldt in nog sterkere mate voor de ontwikkeling van wetenschap en techniek. Het lijkt erop dat mensen voortdurend gedwongen worden hun levenswijze – en indirect dus ook hun culturele identiteit – aan te passen aan de stand van de technologie. Ik noemde al de stormachtige technologische ontwikkelingen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Deze vooruitgang is een van de drijvende krachten geweest achter de globalisering.

Consumptieve zelfexpressie

De mondiale markt is een exclusief westerse constructie. In haar expansieve karakter staat ze op gespannen voet met de lokale culturele identiteiten elders. Op diverse plaatsen in de wereld hebben we te maken met traditionele, massieve, trage, op schaarste en weerbarstigheid gebaseerde waarden. Die laten zich niet gemakkelijk verenigen met de snelle en vluchtige, op consumptieve zelfexpressie gebaseerde waarden van McDonalds en Sony. Vooral in rurale gebieden roepen deze waarden en de overrompelende wijze waarop ze de leefwereld veroveren weerzin op. Het verlies aan eigen identiteit is een bron van onvrede, religieus fundamentalisme en terrorisme.

 

Tezamen met de onbelemmerde handel zorgt de ongelijke welvaartsverdeling in de wereld voor een gestage toestroom van mensen naar welvarende landen. Deze beweging heeft veel weg van het fysische verschijnsel osmose – zout trekt onweerstaanbaar vocht aan. Kennelijk bestaat voor het migratievraagstuk soortgelijk fysisch principe. Globale markt, ongelijke welvaartsverdeling en het economische verkeer van mensen gaan hand in hand. Het is voor een samenleving niet mogelijk om goederen en kapitaal onbelemmerd door te laten en je tegelijkertijd af te grendelen voor economische migratie. Wie anderszins beweert, vertelt sprookjes.

 

Ook voor de westerse samenlevingen werkt de globalisering ontwrichtend. Waar economie, techniek, wetenschap en communicatie voortrazen, blijft ook hier de ontwikkeling van de culturele ruimte steken. En wanneer mensen onvoldoende culturele veerkracht bezitten om hun natuurlijke reflexen in het gareel te houden, leidt dit eveneens tot onvrede, bijvoorbeeld tot vreemdelingenhaat.

 

De culturele veerkracht in de westerse wereld is aan erosie onderhevig door het wegvallen van schaarste en de expliciete nadruk op instant behoeftebevrediging. Tegenslag, tegenspraak, uitstel en opoffering zijn voor ons steeds moeilijker te verdragen. Voor elk pijntje een spuitje en voor elk spuitje een cadeautje.

Alles en iedereen is gespitst op wat mensen graag willen horen en zien – in het bijzonder de media en de reclame. Met als resultaat dat iedereen een potentiële ‘idol’ is. De middelmaat heeft al snel de X-factor. De man in de straat wordt naar zijn mening gevraagd en waant zich politicus.

 

Ook de politiek laat zijn oren hangen naar de wil van de kiezer. De momenten van een meer genuanceerde welsprekendheid in het politieke debat worden schaars. Hun plaats wordt veelal ingenomen door korte slagzinnen. De laatste jaren worden we overspoeld met een reeks ongenuanceerde slogans die er bij het publiek goed in gaan. De kiezer heeft gesproken! Meer blauw op straat! Zero tolerance! Stop de immigratie! Stop de islamisering van Nederland! In staccato overschreeuwen we het debat.

 

We kunnen het uitstel van onze natuurlijke driften niet langer verdragen. Steeds vaker wenden we ons als individuele kiezer af wanneer blijkt dat de politiek niet aan onze verwachtingen kan voldoen. We krijgen een akelig voorgevoel en we zoeken de vluchtgangen weer op.

Het is tijd om in te grijpen voordat de vermonstering weer plaatsvindt. Wat te doen? Er worden grofweg drie manieren geopperd om het monster te lijf te gaan: het versterken van de eigen culturele identiteit, het terugdringen van het globalisme en het herstellen van het vermogen tot dispositie.

Een symbolische knieval voor de onderbuik

De eerste oplossing zoeken we in het herstellen van onze culturele identiteit. Een tiental jaren geleden was het normen- en waardendebat in de nationale politiek daar al een voorbode van. Dit debat appelleerde aan het gezonde verstand. Over het algemeen hebben we in Nederland te maken met weldenkende mensen, zo was de veronderstelling. Mensen die het belang van waarden en de bijbehorende normen inzien. We moeten elkaar en onze kinderen daarin opvoeden. En waar we dat niet kunnen, worden we geassisteerd door de school, door maatschappelijke instanties, door justitie en door de overheid.

 

Het gezonde verstand en de weldenkendheid wat in dit politieke appel verondersteld werden, bleken echter onvoldoende aanwezig in de samenleving. De restauratie van stabiele en innerlijk ervaren waarden is er niet mee gerealiseerd. En de voorzichtig opgelegde waarden bleken bij de eerste beste regenbui al opgelost in de waan van de dag. Dit appel was te ruimdenkend.

In de tussentijd is ruimdenkendheid al in de hoek gezet als een ‘linkse hobby’. Het is tijd voor hardere actie. De onvrede in de samenleving vraagt om een duidelijk politiek signaal. Het is tijd voor maatregelen zoals een burkaverbod en het instellen van minimumstraffen.

 

De burka is een veelbesproken onderwerp. Ook in Nederland, ondanks het feit dat dit kledingstuk in het openbare leven een grote zeldzaamheid is. In Nederland worden naar schatting honderd tot tweehonderd burka’s gedragen, een fractie van het aantal nonnenkleding, paterpijen en hooglerarentoga’s. Zowel het aantal als de impact op onze veiligheid zijn marginaal vergeleken bij andere zaken die we dragen – of juist vertikken te dragen. Denk aan wapens en brommerhelmen. Statistisch gezien is in Nederland de kans op fysieke en geestelijke schade in de buurt van een burka nihil. Daarbij vergeleken is diezelfde kans in de buurt van een bivakmuts of een doktersjas vele malen groter. Een burkaverbod heeft dus niets te maken met gezondheid of veiligheid. Een verbod op het dragen van bivakmutsen of doktersjassen zou logischer zijn.

 

De werkelijke reden voor zo’n verbod is uiteraard meer symbolisch. We zijn geneigd om diverse zaken toe te schrijven aan dit opvallende kledingstuk. Om te beginnen zijn er associaties met religieus fanatisme, bedreigende ideologieën en terrorisme. De burka staat symbool voor het vreemde en bedreigende dat we niet langer in ons midden kunnen verdragen. Een beetje vergelijkbaar met de functie van signaalkleuren in de natuur – pas op, gevaar!

Daarnaast wordt de burka geassocieerd met de onderdrukking en het wegmoffelen van de vrouw in de samenleving. Een burka is de absolute tegenpool van de bikini. De tegenstelling tussen bikini en burka heeft te maken met de tegenstelling tussen openheid en vaagheid, tussen de vastgepinde en de uitgestelde identiteit. We hebben momenteel een publieke hekel aan bedekking en onmondigheid. En ook tegen uitstel, voorbehoud en nuancering. We moeten alles kunnen zien en alles kunnen zeggen. Met name – en daar gaat het bij een burka en een bikini natuurlijk om – met betrekking tot het lichaam, tot onze natuurlijke driften en onze emoties. Zelfs pornografie, zo ongeveer de meest aperte tentoonspreiding van de onderbuik, is maatschappelijk meer acceptabel dan een burka. Weg met die bedekking! Weg met dat blad voor de mond!

 

Vervolgens is de burka ook een gewild object voor groepen in onze samenleving die een zondebok zoeken voor de maatschappelijke verloedering. Als we per se een zondebok willen, dan vinden we die vanzelfsprekend in het hart van onze eigen angst. In dit geval wordt de verloedering middels de burka gekoppeld aan onze natuurlijke xenofobie.

Ten slotte is het bedoeld als een duidelijk signaal aan het publiek om het ‘strenge maar rechtvaardige’ immigratiebeleid kracht bij de te zetten. Vreemdelingen zijn alleen welkom als ze op eigen kracht en kosten willen inburgeren, als ze op positieve en ondernemende wijze willen bijdragen aan de Nederlandse samenleving en als ze zich de Nederlandse waarden eigen maken. Als het er werkelijk op aankomt, hebben we liever een hedonistische consument dan iemand die vasthoudt aan zijn religieuze principes.

 

Ook voor minimumstraffen bestaan geen praktische, objectieve argumenten. Cijfers tonen aan dat de criminaliteit de laatste jaren niet significant is toegenomen. Vergeleken met de omringende landen is de strafmaat in Nederland aan de hoge kant.

Ook hier is dus sprake van een symbolische maatregel  in de sfeer van streng maar rechtvaardig.

Het betekent echter wel een forse inperking van de rechterlijke ruimte om rekening te houden met de bijzondere omstandigheden van het misdrijf en de dader. De mogelijkheden van nuance en voorbehoud worden ingeperkt. Liever alles over één kam scheren dan dat slappe geouwehoer over een ongelukkige jeugd.

 

Onlangs nog, in 2006, is met de wet Herijking Wettelijke Strafmaxima de duur van diverse maximumstraffen verhoogd. Daarnaast zijn we steeds minder terughoudend met het in de openbaarheid brengen van namen van overtreders. Onderzoek heeft aangetoond dat een en ander niet leidt tot minder criminaliteit.

Maar we moeten ook aan het slachtoffer denken, aldus een veelgehoorde maatschappelijke aanklacht. Een dader staat in het krijt bij een slachtoffer en het slachtoffer heeft recht op genoegendoening. Friedrich Nietzsche stelt in zijn Genealogie van de Moraal dat de dader zijn schuld vooral kan inlossen door zijn eigen lijden. ‘Door middel van het straffen van de schuldenaar heeft de schuldeiser deel aan een herenrecht: eindelijk valt ook hem eens het verheffende gevoel te beurt, een wezen te mogen verachten en mishandelen als iets ‘onder zich’- of het in elk geval, indien het feitelijke geweld van de strafvoltrekking al in handen van de overheid is overgegaan, veracht en mishandeld te zien worden.’

 

Persoonlijk ben ik blij dat we de middeleeuwen ontgroeid zijn. Regelmatig tomaten in iemands gezicht gooien zou mij te zeer genezen van de illusie dat ik een cultuurmens ben. Tegelijkertijd besef ik dat veel slachtoffers bij gebrek aan genoegendoening hun affiniteit met de samenleving verliezen. Een basale vorm van rechtvaardigheid, bijvoorbeeld weten dat die ander ook pijnen lijdt, wordt dan verlangd.

Of hiermee het probleem van de slachtoffers wordt opgelost, waag ik te betwijfelen. Bovendien scheppen we hiermee een extra maatschappelijk probleem. Door genoegendoening van het slachtoffer mee te laten spelen in de bestraffing verkleinen we de buffer die het rechtssysteem vormt tussen slachtoffer en dader. Dit opent de deur naar willekeur en wraak. Hoe riskant dit is, heeft het verleden ons in ruime mate geleerd.

 

Willen we werkelijk aan het slachtoffer denken – en tegelijkertijd de samenleving een dienst bewijzen – dan zou het wenselijker zijn om slachtofferhulp te promoveren tot een reguliere overheidsinstelling. Hulp aan slachtoffers is niet een hinderlijke bijkomstigheid van verloedering. Het is een gevolg van een samenleving die nooit in staat zal zijn zonder criminaliteit te leven. Net zoals een samenleving zonder ziekte onbestaanbaar is. Voor dit laatste hebben we van overheidswege uitgebreide en kostbare voorzieningen in het leven geroepen. Op dezelfde wijze is het een maatschappelijke plicht slachtoffers te erkennen en te helpen. Dat kan niet afdoende met een organisatie van overwegend vrijwilligers die voortdurend moet vrezen voor overheidsbezuinigingen. Maatschappelijk gezien hebben we het fenomeen ziekte geaccepteerd. Tot nu toe geldt dat nog niet voor slachtofferschap.

 

Bij de twee bovengenoemde maatregelen – het burkaverbod en het instellen van minimumstraffen – is angst de stille raadgever. Uiteraard bezweren we dat akelige voorgevoel met allerlei rationele argumenten. We argumenteren dat de burka symbool staat voor de weigering om je aan te passen aan de Nederlandse samenleving. Draag je een burka, dan geef je te kennen dat je niet wilt emanciperen. Voor publiek en politiek is dat nu eenmaal onaanvaardbaar. Met minimum straffen geven we een signaal af aan de samenleving. Criminelen, het is ons menens!

Plots overvalt me een akelig voorgevoel. Mijn God, hadden we hier maar een Smoris Trot.

 

Vanuit de schaduw doemt een kleine gestalte op. Het is Smoris Trot. Hij heeft gehoor gegeven aan mijn hulpgeroep. Smoris Trot nestelt zich behaaglijk in de luie stoel bij de kachel en hoort mijn verhaal aan. Ik wil zo graag van hem horen hoe het hier verder moet. ‘Wat moeten we hier mee?’, vraag ik.

 

Na een korte pauze antwoordt hij: ‘Met een burkaverbod en het instellen van minimumstraffen wordt het akelige voorgevoel niet bezworen, maar juist versterkt. Wanneer jullie overheid dergelijke maatregelen neemt, dan legitimeert ze jullie angst en maakt ze de weg vrij voor verdere escalatie.’

Smoris Trot wijst erop dat dit onze neiging versterkt om achterwaarts beschutting te zoeken. Onze mening verliest dan zijn onbevangenheid en wordt zelf tot een beschutting, immuun voor argumenten. De dialoog stokt. Het maakt dat we naast het vreemde ook andersdenkenden niet langer kunnen verdragen.

 

Ik besef dat de achterwaartse beweging al schoorvoetend is ingezet. De verloedering stijgt sommigen van ons naar de lippen. In angst en onvrede vallen we terug op onze natuurlijke aandrift – korte termijn reacties in de sfeer van vechten of vluchten. Het instellen van minimumstraffen en het burkaverbod zijn een symbolische knieval voor de onderbuik. Met een averechts effect, als je het Smoris Trot vraagt.

Terugkeer naar het vertrouwde Nederland

Stiekem hoop ik dat het allemaal wel mee zal vallen. Ik hoop dat deze angstpsychose een tijdelijke dip is in onze anderszins zo hoogstaande Nederlandse cultuur. Misschien dat we op eenvoudige en politiek acceptabele wijze een einde aan de verloedering kunnen maken. Even enkele strenge, maar rechtvaardige maatregelen. Even een kleine periode van hardvochtigheid om een einde te maken aan die desastreuze linkse ruimdenkendheid – het zou voldoende moeten zijn om het tij te keren. Gewoon even een correctie.

Door de ontevreden, van de politiek afgewende massa te bedienen met enkele stringente en onorthodoxe maatregelen, kan Nederland weer gewoon Nederland worden. Dan krijgen de mensen weer vertrouwen in de overheid en kunnen we onze vertrouwde identiteit weer herkrijgen. We hoeven echt niet bang te zijn voor marcherende bruinhemden.

 

Smoris Trot kijkt bedenkelijk. ‘Het zal jou toch ondertussen wel duidelijk zijn geworden dat je hiermee de verloedering geen halt toeroept. Hiermee heb je de kern van de problematiek nog lang niet te pakken. Je gaf het zelf al aan – een belangrijke oorzaak van de verloedering is de onevenwichtige globalisering.  Wereldwijde economische ontwikkelingen gaan veel sneller dan de ontwikkeling van culturele identiteiten. Om maar niet te spreken van technisch wetenschappelijke ontwikkelingen. Die verlopen vrijwel autonoom.’

 

Inderdaad, er zijn hogere machten in het spel. Als er al sprake is van een culturele identiteit van de Nederlander, dan is die de afgelopen decennia drastisch veranderd, realiseer ik me. Het verdwijnen van de klompen uit het straatbeeld, enkele kaasboeren of tulpentelers minder, het niet meer weten wie Willem van Oranje is of de betekenis van het christelijke Paasfeest – het speelt hierin eigenlijk helemaal geen rol. Het zijn de internationale beursberichten, de nieuwste elektronische speeltjes, Hollywood en de media, de vormgeving van de BMW en Toyota en het wereldkampioenschap voetbal waar we achteraan hijgen en die onze vluchtige en veranderlijke culturele identiteit bepalen.

 

Ik staar naar buiten, het donker in. Aan de overkant van de straat branden enkele kaarsjes in de vensterbank. Ik zie televisiebeelden verschieten. Er is geen terugkeer mogelijk naar het oude, vertrouwde Nederland. Het is een illusie te verwachten dat we straffeloos de vreemdelingen kunnen weren en ondertussen rustig door kunnen blijven genieten van elders, door lage lonen en exploitatie van buitenlandse hulpbronnen, afgedwongen consumptiegoederen. Politici die verkondigen dat we de grenzen kunnen sluiten en internationale verdragen kunnen opzeggen met behoud van eigen werkgelegenheid en welvaart, vertellen sprookjes. Mocht men denken dat men hiermee de globalisering een halt kan toeroepen of zelfs kan terugdraaien, dan komt men bedrogen uit.

Herstel van dispositie

Smoris Trot is een eilandbewoner. Op een geïsoleerd eiland de zaken in de gaten houden is al moeilijk genoeg. Maar met grensoverschrijdende zaken zoals technologische vooruitgang en globalisering ligt de zaak nog veel gecompliceerder. Culturele dynamiek is hier meer dan een periodieke afwisseling van vooruitgang of achteruitgang. Alleen daarom al is terugkeer naar een oude situatie ondenkbaar.

 

Na een diepe zucht verbreekt hij de stilte. ‘Jij zei me zojuist als dat we globalisering niet los kunnen zien van jullie consumptieve zelfexpressie. Mensen mogen dan menen dat jullie cultuur wordt uitgehold door islamisering – wat is dat trouwens? – of door de dreiging van terrorisme, maar ik denk dat dit eigenlijk nog maar oppervlakkige symptomen zijn. Je weet zelf heel goed dat jullie streven naar instant behoeftebevrediging de grote verloederaar is, jullie hang naar comfort en amusement. En dat in combinatie met de noodzakelijke wereldwijde expansie om al jullie verlangens te vervullen. Ik denk dat  fundamentalistische ideologieën en terrorisme – hoe verderfelijk ook – slechts de parasieten zijn die hun kans grijpen in jullie zieke cultuur.’

 

Smoris Trot zwijgt even en kijkt me onderzoekend aan. Dan zegt hij op gedempte toon: ‘Ik vrees dat voor dit alles geen eenvoudige en gemakkelijke oplossing bestaat. Jullie lossen de verloedering niet op met de vuist op tafel. Ook niet door een minderheidsgroep aan te pakken en zelf buiten schot te blijven. Het probleem is dat jullie zelf ziek zijn. Jullie zijn verslaafd aan je welvaart. Jullie zijn niet langer in staat om het akelige voorgevoel te weerstaan en het uitstel te verdragen. Jullie zijn verslaafd aan de vooruitgang. Cultuur is voor jullie letterlijk en figuurlijk een wegwerpcultuur geworden.’

 

Smoris Trot is een soort wachter in Plato’s ideale staat. Op het eiland Trottel ziet hij erop toe dat het akelige gevoel niet de kop opsteekt. In de hoedanigheid van wachter heeft hij – hoe kan het ook anders – Plato’s Politeia gelezen. Smoris Trot draagt een citaat voor waarin Socrates het woord richt tot Glaukoon: ‘Wie wijsheid liefheeft, moet koning zijn, zei ik, en de huidige zogenaamde koningen en bestuurders moeten de waarheid hiervan maar eens ter harte nemen. Dan pas wordt politieke macht namelijk gekoppeld aan wijsheid. Maar al die ambitieuze mensen, die er in velerlei variaties zijn, moeten van regeren worden uitgesloten. Gebeurt dit alles niet, beste Glaukoon, dan is de ellende voor de afzonderlijke gemeenschappen en voor de mensheid in haar geheel volgens mij niet te overzien.’

 

Inderdaad, politici moeten eigenlijk filosofen zijn en alleen filosofen zouden politicus mogen worden, anders wordt het een puinhoop. Dit heeft niet zozeer te maken met ideële vergezichten of luchtfietserij. Nee, het heeft te maken met de belangrijkste voorwaarde om te kunnen filosoferen. Volgens Plato kun je namelijk alleen filosoof zijn als je in staat bent in dispositie te leven. Voor hem is de filosoof degene die de kluisters in de grot van de waan heeft afgelegd, die naar buiten is gewandeld en zich door het felle licht van de waarheid heeft laten verlichten. Het is de filosoof die het uitstel van de natuur – vooral van de innerlijke natuur – het verst doorvoert en het beste kan verdragen.

 

‘Jullie moeten weer leren om dispositie te betrachten, om te beginnen jullie politici’, concludeert Smoris Trot. ‘Politiek is iets dat je moet leren en waarin je het volk moet onderwijzen. Oudere politici hebben tot taak de jongeren te onderwijzen, met name door hen voor te gaan in dispositie –  de enige ware grond voor autoriteit. Laten men deze taken na, wat zo dikwijls het geval in democratieën, dan …’, en nu haalt Smoris Plato weer aan, ‘… dan stellen de jongeren zich op een lijn met de ouderen en gaan de strijd met hen aan in woord en daad; de ouden echter voegen zich naar de jeugd en proberen hen na te doen in geestigheid en luimige invallen, om niet de indruk te wekken als zouden zij misnoegd of bazig zijn. Schaamtegevoel noemen zij domheid en bannen die verre; bezonnenheid noemen zij onmannelijkheid en beschimpen haar en drijven haar uit. […] En vernietigt ook de democratie zichzelf niet door haar onverzadelijkheid naar datgene wat zij als hoogste goed stelt, de vrijheid? […] Inderdaad, overal waar iets op de spits gedreven wordt, pleegt als gevolg een omslag naar het tegenovergesteld plaats te vinden.’

 

‘Maar hoe zal dit gebeuren?’, vraag ik Smoris Trot. ‘Wie van ons is er momenteel nog genegen om zich te beperken en zich in te houden? Niemand toch? Het gaat ons alleen maar om het hier en nu – I want it all and I want it now! De dispositie van bestuurders in maatschappelijke en zakelijke instellingen wordt het zwaarst op de proef gesteld wanneer ze niet tijdig de hoogte vernemen van hun bonus voor het volgende jaar. De onzekerheid hierover is nauwelijks te verdragen. Zelfs in de financiële wereld, waarin de schraapzucht de wereld onlangs nog aan de rand van de financiële afgrond heeft gebracht, is het gewoon weer business as usual – bonusbal. Hier hoeven we beslist geen dispositie te zoeken, laat staan het goede voorbeeld.’

 

Ik moet even op adem komen. Zoals gewoonlijk raak ik opgewonden wanneer ik begin te oreren over de zelfgenoegzaamheid van onze bestuurders. Verborgen in diepe gedachten, in de lederen fauteuil, achter het design bureau, tussen strategienota’s en spoedoverleg – kortom als sluitpost van het echte werk – heerst ongetwijfeld een vorm van maatschappelijke verantwoordelijkheid. En als het van pas komt, dan poetst men het blazoen ermee op. Hoe hoger de positie, des te meer in de vorm van imponerende vergezichten. Fransiscus wasn’t here.

Ik moet oppassen, want ik verval in hyperbolen. Ik zwelg weer in mijn verontwaardiging. Maar toch, al is er maar een tiende van waar, dan nog zie ik bij hen weinig dispositie en nauwelijks enige opvoedkundige intentie.

 

‘In ons parlement zijn de volksvertegenwoordigers in de greep van de kiezersgunst en de waan van de dag. Van hen valt geen dispositie te verwachten, laat staan opvoeding. Diezelfde politici die volgens de opiniepeilingen als beste debaters te boek staan, zijn toevallig ook de beste buiksprekers – onderbuiksprekers wel te verstaan. Ze maken er een sport van elkaar af te troeven. Terughoudendheid is een politieke zwakte. Nuance staat gelijk met verdoezelen. Politieke correctheid is – godbetert – een misdrijf geworden!

Vooral die hoogblonde politicus van het jaar maakt er een exhibitionistisch circus van. Hij bedrijft je reinste politieke porno. Met het grootste gemak stort hij de inhoud van zijn politieke onderbuik uit over zijn politieke tegenstanders, tot groot genoegen van zijn schare volgelingen. Voor hem zijn er maar twee soorten mensen: mensen met hoofden en doeken en mensen met koppen en vodden. En wie daar iets tegenin te brengen heeft kan rekenen op een portie schaamteloze, publieke minachting. Dispositie bij de politiek? Het goede voorbeeld? Hou maar op!’ Pfffffff …

 

‘Tja, en wie hebben we dan nog meer als voorbeeldfiguren in onze samenleving? Voetballers, rappers en MTV-sterren? Moet ik nog doorgaan met deze zinloze exercitie?’

 

‘Hmmm’, zegt Smoris Trot. ‘Maar hoe zit het dan met jullie kunstenaars? Als er ergens individuen in staat zijn tot een verregaande dispositie, dan zijn het wel kunstenaars. Je gaf het zelf al aan – de beeldende en muzische kunsten zijn vaak de wegbereiders zijn geweest van culturele vernieuwingen. Neem nou Mondriaan, die heeft toch een hele nieuwe wereld geopend! En wat te denken van Strawinsky? In moderne kunst wordt voortdurend het normale uitgedaagd en ter discussie gesteld. Weet je, vooral als men schande van een kunstwerk spreekt – dat kan mijn zoontje van vier ook – goeie kans dat er dan ongemerkt ruimte geschapen wordt.’

 

‘Och Smoris, doe me een plezier! Onze meest voorlijke politici zien kunst als onbelangrijke franje. Subsidie aan kunstenaars en artistieke gezelschappen worden bestempeld als een typisch linkse hobby, net als ontwikkelingssamenwerking. Tot nu toe was de kunst een door de overheid gesubsidieerde aangelegenheid, maar daar wil men vanaf. Een deel van de instellingen, gezelschappen en individuele kunstenaars moet zichzelf maar zien te bedruipen, kunst moet de markt op. Ik voorzie dat deze trend zich in de toekomst zal doorzetten.  Terugkeer naar het oude mecenaat zit er niet in. Kunst had vroeger een verheven functie. Om te beginnen had kunst een belangrijke functie ter stichting van het volk  en ter illustratie van God’s woord. Dat woord heeft afgedaan in de polder.

Daarnaast was kunst ter meerdere glorie van kerkelijke en wereldse bestuurders. Daarvoor hebben we nu de media. Grote bedrijven willen nog wel eens iets ‘aan kunst doen’, maar dan vooral ter promotie van merken en bedrijfsnamen. Voor dat doel kunnen ze uiteraard alleen veilige kunst gebruiken – kunst zonder brokken of harde korsten, kunst die lekker weghapt  – André Rieu, de Nachtwacht, Marco Borsato en Soldaat van Oranje.’

 

Smoris Trot kijkt bedenkelijk. ‘Tja, wat valt er dan te hopen? Ik zou het niet weten. Wellicht dat jullie – noodgedwongen – toch een stap achteruit zullen moeten doen. Kunst is in tijden van nood vaak nog de enige vrijplaats om de wereld van de andere kant te bezien. Kunst laat je uit de koker van het benauwde denken kruipen. Door kunst kun je worden aangeslagen naar grotere en hogere ruimtes. Het maakt dat je je de waarheid weer kunt herinneren. Maar als ook de kunst zich moet schikken naar de markt, dan verwatert het gros ervan tot amusement. Tja, dan zie ik het inderdaad somber in.’

 

Ook Smoris Trot staart nu naar buiten. In het donker wordt de wereld teruggebracht tot enkele schetsmatige essenties. Huizen worden contouren, mensen worden schimmen. Wat overdag bekend en vertrouwd is, wordt ’s avonds vreemd en beangstigend. De mensen doen hun deuren en ramen dicht. ‘Ik vrees dat jullie voorlopig maar even moeten wennen aan de beperkte speelruimte van de onderbuik, het duister van de vluchtgaten. Een kwestie van overleven voor fijnzinnige Trotten. En voor fijnzinnige mensen ook, naar ik aanneem. Pas als jullie weer aan den lijve ervaren hoe noodzakelijk het is om het uitstel te verdragen, zijn jullie weer in staat om elkaar te verdragen. Mocht mijn vrees inderdaad bewaarheid worden, dan hoop ik oprecht dat het monster een lichte en snelle tred heeft en dat de catharsis draaglijk en stichtend zal zijn voor een ieder van jullie.’

 

In het donker zie ik een kleine gestalte met lichte en snelle tred de straat uitlopen. Ik verzink in een somber gepeins. ‘Een goede nacht en morgen weer gezond op!’ Het laatste journaal is afgelopen. Ik zet de TV uit. Overal gaan lichten uit.

 

PT 3 oktober 2010

 

>> Home <<