Terug naar >>

Onderwijs en ICT <<

Home <<

 

Inleiding
Studenten bezoeken onze onderwijsinstelling om er onderwijs te volgen – bij voorkeur goed onderwijs. Wat ‘goed’ in dit geval betekent en wat daarbij de waarde is van het gebruik van ICT-middelen, laat ik in het midden – dat is een aparte overweging waard. Naast studenten zijn het vooral docenten die belang hebben bij kwalitatief goed onderwijs. ‘ICT in het onderwijs’ is primair het belang van onderwijs. Idealiter ligt het eigenaarschap dan ook bij de onderwijsgevenden en niet in een of andere ICT-dienst. ICT is een van de ondersteunende middelen om goed onderwijs vorm te geven.

Eigenaarschap heeft binnen het onderwijs twee gezichten. Onderwijsgevenden hebben over het algemeen een sterk verantwoordelijkheidsgevoel t.o.v. de leerlingen en hun leerproces. Eigenaarschap m.b.t. het door henzelf verzorgde onderwijs is dan ook min of meer een vanzelfsprekendheid. Maar de grenzen tussen onderwijs en ondersteuning worden strak gehanteerd. Onderwijsgevenden zijn van het onderwijs en niet van de ondersteuning. De studentenadministratie, de roosters, de computerlokalen en alle andere ondersteunende faciliteiten zijn ondersteunend en moeten als zodanig ‘gewoon’ in orde zijn. Je moet er sowieso geen hinder van hebben. Anderen zijn daarvoor verantwoordelijk.

Een randgebied van het eigenaarschap betreft onderwijsinnovaties. Wanneer sprake is van ‘van boven’ opgelegde veranderingen – en meestal is dit het geval – voelen onderwijsgevenden zich nauwelijks  verantwoordelijk, laat staan eigenaar. Dit geldt ook voor ‘ICT in het onderwijs’. Een fundamentele kwestie bij innovatie is dan ook: hoe organiseren we het eigenaarschap binnen het primaire proces? Met als afgeleide vraag: Hoe kunnen ondersteunende  diensten een decentrale behoefte aan goed onderwijs m.b.v. ICT het beste ondersteunen?

Binnen ons onderwijsinstituut hebben we tot op heden geen goed antwoord gevonden op deze vragen. Onderkend wordt dat de implementatie van ICT-gerelateerde innovaties nogal weerbarstig is. Tegelijkertijd wordt de toenemende rol van informatiesystemen onderkend voor administratie, bedrijfsvoering en informatie-uitwisseling. Al met al bestaat de indruk dat er ‘onvoldoende slagvaardigheid’ bestaat bij ICT-innovatieprojecten in het onderwijs.  Overwogen wordt nu om een aparte ICT-dienst op te richten om tot meer slagvaardigheid te komen. Hierbij kun je je niet aan de indruk onttrekken dat bovengenoemde prioritaire volgorde is omgedraaid: ICT is primair belanghebbend en onderwijs heeft de rol van afnemer.
Enige tijd geleden was de omkering van de volgorde al merkbaar toen het beleidsterrein ‘ICT in het onderwijs’ werd omgedoopt werd ‘Educatieve Technologie’ (ET), daarmee suggererend dat innovatie vooral een kwestie is van techniek. Nu blijkt het (inderdaad) de bedoeling dat de educatieve technologen een plek krijgen toegewezen in de nieuwe dienst. De toekomstige directeur wordt benoemd tot eigenaar van het omvattende beleidsterrein, dus ook van ‘ICT in het onderwijs’.

De voor de hand conclusie van de voorliggende overweging is dat de oprichting van de nieuwe ondersteunende dienst weinig effect zal sorteren in de brandende kwestie van ‘ICT in het onderwijs’. ‘Slagvaardig’ mag dan een passend predicaat zijn voor ICT-projecten, voor projecten ‘ICT in het onderwijs’ blijkt het nauwelijks van toepassing. Bij innovatieprojecten ‘ICT in het onderwijs’ hebben we nadrukkelijk te maken met de dynamische, pluriforme en onvoorspelbare mensenwereld. Het zijn de onderwijsgevenden die de innovaties moeten adopteren. Het eigen maken van een innovatie – het ‘incorporeren’ van alle veranderingen – vergt inspanning en tijd. Onderwijsgevenden hebben in de regel niet zelf bewust voor de innovatie gekozen en voelen zich dan ook niet persoonlijk eigenaar.
Projecten op het gebied van ‘ICT in het onderwijs’ zijn culturele uitdagingen. Zo moeten we draagvlak creëren, weerstand overwinnen en inzichten en werkwijzen aanpassen. Voor deze processen zijn gevleugelde begrippen als ‘duidelijkheid’ en ‘slagvaardigheid’ abstract en dus inhoudsloos. Bij culturele uitdagingen geldt de wet van de traagheid. Op dit weerbarstige en ‘onbestelbare’ terrein moeten we ons vooral toeleggen op de kunst van het doormodderen.

Dit laatste impliceert dat een doel-middel schema vaak nauwelijks bruikbaar is. Veel van de projectdoelen zullen eerder oriënterend zijn dan instrumenteel. Keuzen die we maken moeten herroepbaar zijn en van sommige keuzen moeten  we zelfs uitstel verduren. Wie er gelijk heeft valt dikwijls niet uit te maken. Hierbij gaat het niet zozeer om het ongelijk, als wel om de achterkant van het gelijk.

Innovatieprojecten op het gebied van ‘ICT en onderwijs’ zijn weerbarstig ‘van nature’. Geen dienstdirecteur die hieraan iets kan veranderen.

 

Vorige <<

>> Volgende