Terug naar >>

Onderwijs en ICT <<

Home <<

 

 

 

Het gelijk en zijn achterkant – de keuze en haar uitstel

Deze kritiek op de vorming van een nieuwe ICT-dienst betreft de achterliggende visie op eigenaarschap – of beter gezegd: het ontbreken ervan. En daarnaast betreft het de eenzijdige nadruk op slagvaardigheid, d.w.z. de ontbrekende aandacht voor de natuurlijke traagheid bij innovatieprocessen. Beide zaken zijn kritisch op het terrein van ‘ICT in het onderwijs’.

In de opgeleverde onderzoekdocumenten ligt – in de geest van de tijd – de nadruk op de aspecten van conceptie. Het voorgaande maakt evenwel duidelijk dat de aspecten van conceptie niet beslissend zijn voor een brede, praktische toepassing van ICT-innovaties in het onderwijs. Cruciaal hiervoor zijn juist de trage en weerbarstige aspecten van incorporatie.

 

Analyse, uitgangspunten, ontwerp, projectplan en technische functionaliteiten – dit speelt zich af op ijlere hoogten. Zolang we ons niet nadrukkelijk hoeven te mengen in het aardse bestaan van zweet en modder, kunnen we hierbij het begrip slagvaardigheid hanteren. Dit betreft bijvoorbeeld projecten die geen uitgebreide incorporatie vergen. Denk aan diverse technische en infrastructurele projecten vanuit de dienst ICT.

Voor projecten rondom ‘ICT in het onderwijs’ geldt een ander verhaal. Hierbij is doorslaggevend hoe de innovatie ‘op aarde’ geïncorporeerd is. Aan dit verhaal wordt in de opgeleverde onderzoekdocumenten geen aandacht besteed.

 

En dan een andere kwestie. Het heeft te maken met het geregelde verwijt aan collega’s dat ze problematiseren (of op de rem trappen en zaken willen tegenhouden). Hier rechtstreeks op aangesproken worden, is er overigens nauwelijks bij. Dit zou erop kunnen duiden dat de kwestie feitelijk helemaal niet speelt. De wandelganggeruchten ontstaan evenwel niet voor niets. Bovendien bevatten ze dikwijls ook een verwijzing naar een persoon als bron. Het persoonlijk benaderen van die bron kan lonend zijn, vooral wanneer blijkt dat de bewuste persoon inderdaad de bron is. Niet zelden resulteert het in een vruchtbaar gesprek. Een enkele bron is en blijft troebel. Vanuit beide kanten spreek ik uit ervaring.

 

In de wandelgangen is het verwijt van problematiseren niet te pareren. Bij de bron aangekomen is het daarentegen een makkie: ‘Problematiseer ik of simplificeer jij? Wie van ons heeft de juiste opvatting?’ Deze fundamentele kwestie ligt ook ten grondslag aan de weerbarstigheid van innovatieprojecten. De kwestie kent feitelijk alleen maar een arbitraire oplossing. De enige manier waarop deze kwestie kan worden beslecht, is het maken van een keuze.

Daarbij is het goed om te beseffen dat de predicaten ‘goed’ en ‘fout’ in dit soort kwesties doorgaans niet van toepassing zijn. Het gaat hierbij vooral om persoonlijke inzichten, voorkeuren, belangen, aandachtsgebieden en blinde vlekken. Kortom, het gaat hierbij niet om het gelijk of het ongelijk, maar om het gelijk en de achterkant van het gelijk.

 

De menselijke geschiedenis is doortrokken van deze kwestie. De kwestie speelde bijvoorbeeld bij het volk Israël dat na de uittocht uit Egypte en het veertigjarige verblijf in de woestijn het beloofde land Kanaän had veroverd. Daar moesten ze als volk een nieuwe, vreedzame samenleving vormen. Gedurende een periode werden ze hierbij geleid door elkander opeenvolgende richters, zoals Gideon, Efraïm en Simson. Vervolgens kwamen er koningen zoals Saul en David, De richter trad op als gezalfde leider van het volk. Hij (of zij – Deborah was ook een richter) ging het volk voor in de oorlog. En te midden van het volk richtte hij. Dat laatste wil zeggen dat hij aangaf wat recht en rechtvaardig is, en wat de juiste richting is. Ze wezen de weg, ze formuleerden de conventies en spraken recht. Aangezien vele zaken geen uitstel duldden, moesten richters hierin doortastend en slagvaardig zijn.

Joodse profeten, zoals Nathan, Samuel en Elia, daarentegen plaatsten juist vraagtekens bij de richting. Ze bekritiseerden de conventies en de bestaande rechtsgang. Zij bekeken de loop der dingen met een andere blik. Vanuit hun perspectief bevroegen zij de gevestigde overtuiging van ‘dat hebben we afgesproken’ en de diepe slaap van ‘zo doen we het nu eenmaal’. Niet zelden werden zij beschouwd als luizen in de pels, als irritante spelbrekers.

 

Voor de voortgang van een project kunnen keuzen noodzakelijk zijn. In het bijzonder geldt dit m.b.t. de eerder genoemde aspect van conceptie. Uitgangspunten en projectdoelen vergen nu eenmaal keuzen. Je moet je beperken en je wilt duidelijkheid verschaffen aan betrokkenen.

Maar eenmaal gekozen en vastgesteld kan de zelfgekozen beperking vervolgens verhinderen dat je verder denkt. En dit kan zich m.b.t. het aspect van incorporatie tegen je keren. In de oriënterende, implementerende en adopterende projectfasen zijn een wijde blik en diepgaande reflectie juist belangrijk. ‘Zeer weinig feiten kunnen voor zichzelf spreken, zonder commentaar om hun betekenis aan het licht te brengen. Omdat de hele kracht en de waarde van het menselijk oordeel dus afhangt van die ene eigenschap, dat het rechtgezet kan worden wanneer het dwaalt, kan men daar alleen op vertrouwen wanneer de middelen om het terecht te wijzen voortdurend bij de hand zijn.’ (John Stuart Mill)

 

De omgang met projectkeuzen luistert nauw. Voor sommige keuzen is het noodzakelijk deze alleen te maken als het niet anders kan, en dan nog voor een beperkte duur en met een beperkte reikwijdte. Voor de rest komt het er op aan om fundamentele kwesties onbeslist te laten en gemaakte keuzen alsnog ter discussie te stellen. Voor de incorporatie blijkt veelal niet het beslissen doorslaggevend, maar het verduren van het uitstel. Draagvlak creëer je niet alleen met duidelijke keuzen, maar even zo goed met het uitstel van definitieve keuzen.

 

Het belang van het uitstel geldt de beperktheid van de individuele waarneming. Deze beperktheid mens-eigen: ons bewustzijn is te groot voor onverschilligheid en te klein voor de waarheid.

Waar de een ver kan zien, heeft de ander een betere kijk op de details van nabij. De een heeft meer op met structuren en controle, terwijl de ander juist de ruimte nodig heeft om te kunnen functioneren. Iemand die verziend is in de fase van vraagexplicatie of die van implementatie, kan een blinde vlek hebben voor de weerbarstige details. Een bijziende daarentegen mist het zicht op de ideële kant, op de richting gevende vergezichten. Uitstel van keuzen schept ruimte voor verder denken, discussie en het creatieve krachtenspel om tot duurzame oplossingen te komen.

Voor een dergelijke verduurzaming van het proces hebben we niet alleen conflicterende opvattingen nodig, maar ook tegengestelde naturen nodig: naturen en tegennaturen. En ook hier geldt: of het een natuur betreft of een tegennatuur – of het gaat om problematiseren of simplificeren – het is een arbitraire kwestie.

Dit alles kan de vitaliteit van een organisatie ten goede komen. Elk gelijk heeft immers zijn achterkant. Met uiteenlopende naturen kunnen we ons behoeden voor eenzijdigheid, halfwetendheid en nababbelen. In dit krachtenspel kunnen we de dagelijkse praktijk van doormodderen verheffen tot een edele kunst.

 

In verband hiermee heeft Hannah Arendt twee vormen van doelen onderscheiden die we onszelf kunnen stellen, namelijk

§   

Instrumentele doelen; doeleinden die met geweld bereikt kunnen worden (Zweck), en

§   

Oriënterende doelen o.b.v. richtlijnen; vanwege hun voorlopige karakter hebben ze de intrinsieke mogelijkheid in zich om onder invloed van menselijke betrokkenheid verder ontwikkeld te worden en gestalte te krijgen (Ziel).

Voor ICT sec kunnen instrumentele doelen volstaan. Maar voor ‘ICT in het onderwijs’ moeten we vooral onze toevlucht nemen tot oriënterende doelen – doelen van een uitgestelde keuze.

 

 

 

 

Vorige <<

>> Volgende