Terug naar >>

Alles en nog wat <<

Home <<

 

En? Waren ze blij?

Wanneer we vertrekken is Swakopmund in een miezerige zeemist gedompeld. Buiten is het 11 graden en de ruitenwisser staat aan. Vandaag rijden we richting Damaraland. De eerste honderd kilometer rijden we langs de kust naar het noorden, door een mistig en vaalgeel maanlandschap. De kuststrook oogt als het Noordzeestrand van Schiermonnikoog bij eb. De mist heeft het daglicht getemperd; de lucht is grijs en dreigend. De asfaltweg richting Henties Bay waarop we nu al een uur rijden, is gloednieuw en zonder markeringen. De Tomtom herkent de weg niet. Bij een zijweg naar links wordt Henties Bay aangegeven en we concluderen dat we op een rondweg rond deze kustplaats rijden. Na enkele kilometers eindigt het asfalt zonder enige aanwijzing of waarschuwing abrupt met een dranghek. Kennelijk is deze weg nog niet officieel opengesteld. We keren terug en zodra we richting Henties Bay rijden, haakt ook de Tomtom aan. 


Zeemist in Swakopmund


Vanuit de Namib terugkijkend

Ook wanneer we naar het oosten afbuigen en het binnenland inrijden blijft het nog geruime tijd mistroostig, koud en nat. Maar na een klein half uur begint de lucht in de verte zienderogen op te klaren. Het duurt niet lang of we rijden in het felle zonlicht. De temperatuur loopt gestaag op en het asfalt degradeert. Zodra de temperatuur boven de 30 graden is, rijden we weer gewoon op een wasbord-steenslag-weg en begint het om ons heen flink te stuiven. We zijn weer in Namibië.

Bij het plaatsje Uis tanken we, halen we geld en drinken we koffie. Voor het eerst is het slechte koffie, geen reden om hier lang te verwijlen. Weer op weg komen we weinig auto’s tegen. Het is windstil, 35 graden en de stofmist blijft heel lang hangen. Die ene auto die ons met hoge snelheid heeft ingehaald, belemmert nog zeker een kwartier het zicht. Tegen deze mist is geen ruitenwisser opgewassen. Voor het eerst tijdens onze trip verschijnen er hutjes in het steppelandschap. Onwillekeurig moet ik denken aan de weg naar Muona in het zuiden van Malawi. Maar die vergelijking gaat nauwelijks op. Deze streek is veel schraler en veel dunner bevolkt. De hutjes zien er bijzonder armoedig uit.

Op gezette tijden kom je langs de weg een kraampje tegen waarin houtsnijwerk en halfedelstenen zijn uitgestald. Vrouwen in prachtige Herero kledij of, net als Himba, met ontbloot bovenlijf en ingesmeerd met okerkleurige klei wenken de voorbijganger om toch vooral te komen kijken naar de souvenirs. De fraaie mineralen zijn afkomstig uit het steenafval van een voormalige tin- en wolfraammijn in de buurt van Uis. Sommige vrouwen maken zelfs een zwierig dansje alvorens ze in de dichte zandmist van onze snelle RAV4 verdwijnen. Vol verbazing aanschouwen we het tafereel dat zich om de paar kilometer herhaalt. Je moet wat ondernemen om in deze schrale omgeving te overleven. ‘Bij het volgende kraampje stoppen we’, opper ik.

Ik parkeer de auto. Instinctief pak ik meteen mijn fototoestel. ‘Good morning, ladies’, probeer ik, ‘you look wonderful today’. Als tegenprestatie krijg ik een vijfhoofdige glimlach. De aanwezige kleine kinderen grijpen schielijk moeders galajurk vast. We komen tot een deal: de vrouwen doen een dansje, wij fotograferen ze en geven ze 100 Namibische dollar (€6). 

Bij het afscheid vraagt een van de vrouwen of we ook wat te eten hebben. Ik klets me hieruit, maar bij de auto aangekomen zegt Trees dat ze nog drie appels heeft. Ze loopt ermee terug. Ik berg mijn fototoestel op en start vast de auto. En terwijl Trees instapt, hoor ik mezelf achteloos vragen: ‘En, waren ze blij?’

 

 

Vorige <<

>> Volgende