Vuur en regen

‘Oh, I've seen fire and I've seen rain,

 I've seen sunny days that I thought would never end, …

aldus James Taylor in 1970. Naar ik gelezen heb, is zijn lied Fire and Rain autobiografisch bedoeld en niet als een soort ode aan de Centraal-Afrikaanse weersomstandigheden.

 

Het schemert in Vwaza National Park. Gelukkig wordt het iets koeler. Een eindje verderop zit een Amerikaanse toerist zijn potje te koken op een houtvuur. Zwijgend ga ik erbij staan. Wat een indrukwekkende avond! De roodpaarse avondlucht, enkele zacht pratende mensen, knorrende nijlpaarden verderop in het meer, en voor de rest een soevereine rust.

Ondanks de zweterige warmte voelt de gloed van het houtvuur behaaglijk aan. Hier, op dit moment, in dit afgelegen oord – ik zou zweren dat geluk voor het grijpen ligt.

Wanneer ik ontwaak uit mijn mijmering, zie ik dat het bijna donker is geworden. De ondraaglijke rust heb ik kennelijk ingewisseld voor een dagdroom rond mijn eigen houtkachel in Almelo. In ons land van wind en regen is een houtvuurtje op zijn tijd niet te versmaden. De elementen die de stramme leden en het verkilde hart verwarmen – wat is er fijner? Deze overpeinzing is een vorm van instant geluk, maar ze laat me hier op dit moment met lege handen achter. Geluk is niet op te rapen.

 

Voor de Afrikaan is hout een elementaire levensbehoefte. De grote behoefte aan brandhout is debet aan het verdwijnen van de laatste resten tropisch regenwoud, ook in Malawi. In Fatima hoorden we voortdurend mensen hakken. Overal tref je open vuur aan. Wel vreemd dat het lang niet altijd om kookvuren gaat. Stoppels op de akkers, gras rond het huis, bermbegroeiing en braakliggende veldjes – alles gaat in de fik. Vuur ruimt zo lekker op! En dat met die droogte hier!

 

Als padvinder van amper veertien heb ik ooit een brandweercursus gevolgd. Fikkie stoken was een belangrijke reden om me bij Baden Powell aan te sluiten. Precies voor dat soort verkennertjes was de cursus bedoeld. Maar met stofidenticatienummers, ‘omkeer-inslag’ blusapparaten en de koffievuurtjeszwam had ik niet zoveel.

We kregen les van een brandweerman in uniform. Hij vertelde ons de risico’s van kook- en kampvuren op zomerkamp, dus hhoeiii, opletten! Die kleine dikke van het corps Hengelo riep altijd hhoeiii als we door zijn verhaal heen kletsten. Ik zie hem nog oreren in het klaslokaal.

Hij maakte duidelijk dat we het gevaar voor een natuurbrand absoluut niet mochten onderschatten. Droog gras, dorre takken, dennennaalden, heide – voor je het wist, stond de zaak in de hens. Het gehoor keek elkaar niet begrijpend aan. Zoiets hadden we nog nooit meegemaakt. Niet een beetje overdreven? Pas later, bij een duinbrand (ja, ook Zoutelande) heb ik de beste man gelijk moeten geven. Bij elke windvlaag was de brand een paar meter verder – een razendsnel ‘loopvuur’.

 

Bij de meeste bosbranden is het alleen maar de onderbegroeiing die brandt, aldus de spuitgast. Volgroeide natuur kan hier doorgaans goed tegen. Bomen en grotere struiken herstellen zich snel en volledig. Er zijn zelfs bomen die een periodieke bosbrand nodig hebben om zich te kunnen voortplanten. De eucalyptus en de sequoia, meen ik me te herinneren.

Ik liet het me allemaal welgevallen. Ik zat er vooral voor mijn insigne Brandweerman. Weliswaar hield ik mezelf toen al voor een fervent antimilitarist, insignes op mijn uniform vond ik toch wel heel fraai. Vooral dat Woudloperssnoer gaf mijn zelfbeeld een oppepper. Daarmee had ik bewezen dat ik diep van binnen een oermens was dat de elementen kon trotseren. De onderscheidingen op mijn mouw moesten dit ook aan de buitenwereld duidelijk maken.

 

Sommige verhalen van de brandweerman waren wel heel sterk. Bijvoorbeeld als het vuur overslaat naar de kronen van de bomen. Nou, berg je dan maar! Dan heb je de poppen aan het dansen! Brandstof en zuurstof zat, een helse warmteontwikkeling. In zijn enthousiasme beweerde hij dat naburige naaldbomen spontaan konden ontploffen. Verdampte hars en zuurstof vormden een explosief gasmengsel. Of we dat snapten? Een kronenvuur stond in zijn brandweerjargon zo ongeveer gelijk met Apocalyps. Wij vonden het allemaal best. Aan het eind hadden we allemaal ons insigne.

 

Vanuit Vwasa Park rijden we naar Nyika Park. Onderweg komen we door een kilometerslang, grijszwart landschap met enkele rechtopstaande, verkoolde staken. De aanblik is onthutsend en beangstigend. Alsof een inferno al het leven van de aardbodem heeft weggevaagd. Nooit had ik kunnen vermoeden dat een kronenvuur zo verwoestend kon zijn.

Aanvankelijk menen we dat zich hier een lokaal drama heeft afgespeeld. Niets blijkt minder waar te zijn. De hoofdweg doorkruist meerdere desolate oorden – smeulende restanten van wat ooit bosgebied was. Overal stinkt het naar rook. Tot overmaat van ramp vindt in de streken waar nog wel bos is, grootschalige houtkap plaats. Er bestaat geen regenseizoen dat deze sporen kan uitwissen. De stemming in de auto raakt gedeprimeerd.

 

Op de Nyika hoogvlakte dreigt onze safarilust definitief te vergaan. Ook hier zwartgeblakerde velden. Wel wordt duidelijk dat het hier om grondvuren gaat die bewust zijn aangestoken. Parkwachters willen hiermee onbrandbare corridors creëren om een massale natuurbrand te voorkomen. Ook poogt men iets uit te richten tegen de opmars van de Europese varen. Deze oneetbare exoot dreigt de andere gewassen in het natuurpark te overwoekeren, zodat er een voedselgebrek dreigt voor het wildlife. Volgens Patrick is vuur echter niet het juiste remedie. Varens herstellen zich sneller dan grassen.

In de verte zien we het hoogste deel van het park, een bosgebied. Maar uitgerekend daar verheft zich een flinke rookzuil. We rijden ernaar toe, aangezien daar ook onze lodge moet liggen. Terwijl we zo hier en daar een zebra of een antilope spotten, poogt Patrick nog enige balsem voor bedrukte zielen te verschaffen.

 

Sterke mensen in Malawi kunnen heel oud worden, aldus Patrick. Zijn eigen schoonvader woont in een dorpje waar we zo-even doorheen zijn gereden. Hij moet al ver in de negentig zijn. Bij zijn geboorte ontbrak een burgerlijke stand. Bijgevolg weet niemand precies weet hoe oud hij is.

In bijna een eeuw Malawi heeft zijn schoonvader heel wat meegemaakt. Zo ook het verdwijnen van zijn oorspronkelijke habitat – het regenwoud. ‘Op de vraag of hij dit betreurde, was zijn antwoord: We kunnen nu ten minste op sandalen lopen’.

Besef goed dat een Malawiaan van oudsher een heel andere kijk heeft op vuur dan wij. Of liever gezegd, een Malawiaan heeft een heel andere kijk op regen. Regen is hier ook een basiselement om te kunnen overleven. Zodra er wolken aan de hemel verschijnen, veert het verhitte gemoed op. Zou er regen komen?

De regen huist in de wolken, dat weet ieder mens. Niet iedereen beseft dat de mens met vuur kan bijdragen aan de vorming van wolken. Een Malawiaan weet dat wel. Immers, vuur maakt rook en rook vormt wolken.  Kortom, vuur bevordert de regenproductie. Naar verluidt, zit dit geloof diep. Een bosbrandje meer of minder – een Malawiaan wordt er niet koud of warm van.

 

De avond valt in Vwaza

 

Nachtelijke brand in de buurt van Livingstonia

 

Door brand weggevaagd bos

 

Overgebleven restanten

Houtkap

Houtskool te koop langs de snelweg