Moeder

Het Trinity Hospital in Fatima is in 1960 gesticht door Duitse nonnen van de orde van de Goddelijke Voorzienigheid. Sindsdien is het een toevluchtsoord geweest voor vele zieken uit de omgeving. Daarbij was het ook de grootste werkgever. Als je hier werkt, heb je in ieder geval een vast salaris, hoe minimaal ook in onze westerse ogen. Het ziekenhuismanagement verdient naar Malawiaanse begrippen goed. Dat is te zien aan hun onderkomens. Susan heeft haar intrek genomen in een eenvoudig gastenverblijf. Dit is de rijke buurt met koud stromend water en (regelmatig uitvallende) elektriciteit. Hier wonen mister Allen, doctor Moyo en Rafael.

 

Het ziekenhuis bestaat uit enkele langgerekte gebouwen op een rij – laat ik maar zeggen ‘vleugels’. Het zijn stenen gebouwen met golfplaten daken. Het ziekenhuisterrein is ommuurd. Op het terrein staan ook diverse woningen voor het ziekenhuispersoneel.

Bij binnenkomst in Trinity Hospital worden we begroet door Robert. Hij is de klerk van het ziekenhuis – een soort receptionist. Om de haverklap heeft Susan veel lol met deze hartelijke en energieke jonge vent. Zoals zoveel Malawianen heeft hij een gulle lach. Met zijn ondeugende ogen zou hij eigenlijk Robbert moeten heten, net zoals mijn olijke broer.

 

Vervolgens ontmoeten allerlei personen die op een of andere manier betrokken zijn bij Susan´s onderzoek. De heer Kadete, een beminnelijke anesthesioloog die op dat moment juist het verslag van Susan bestudeert; de breed glimlachende Scott, een clinician; Mr. Phiri, een bescheiden patient intendant – indrukwekkend in zijn eenvoud – die interviews voor Susan heeft uitgevoerd; Dr. Moyo, een oogarts en de kersverse, ambitieuze ziekenhuisdirecteur; Mr. Allen – William voor intimi – administrator van het ziekenhuis en de eigenaar van het gastenverblijf – hij en zijn vrouw Dominica waken over Susan; en Mrs. Kadete – inderdaad, echtgenote van – hoofd van de verpleging en als begeleider nauw betrokken bij het onderzoek van Susan. En zo zijn er nog vele mensen die we de hand drukken: muli bwanji? – diri bwino! kaja ino? – diri bwino! Wellevendheid en eenvoud maakt sommige van hen tot een nogal verpletterende verschijning. Vooral voor grote ego’s.

Het meest val ik voor Mrs. Bande, een verpleegkundige. Ze is moeder van vele kinderen, waaronder twee Susannen – haar eigen dochter en onze Susan. Alle kinderen gaan haar zichtbaar aan het hart. Ze omhelst Trees als haar eigen zus en mij als haar broer.

 

Wanneer we teruglopen bespreken we de ‘uitdagingen’ waar dit kleine ziekenhuis voor staat. Een nuchtere Hollander komt al snel tot de conclusie dat men maar beter de deuren kan sluiten. De problemen lijken onoverkomelijk. Hoe kun je in vredesnaam zorg verlenen als je gebrek hebt aan alles, vooral aan geld? Hoe los je de plotselinge leegstand van de bedden op, nu er voor bijna alle hulp (behalve voor bevallingen en voor aids) betaald moet worden?. De patiënten blijven weg. Alleen de spoedeisende hulp kent een dagelijkse rij wachtenden. Hoe hou je hier in deze geïsoleerde streek de moed erin bij het voortdurende gebrek aan eten, drinken en brandstof? En dan is er ook nog een regelmatige devaluatie van de kwatja (de nationale munteenheid). Het enige wat je kunt doen is een beetje westers irrationeel zijn en vertrouwen op die ene belangrijke kracht – een warm en ruim hart.

 

Susan … met Mr. Allen

 

… met Scott

… met Mrs Kadete

 

… met twee moeders – Trees en Mrs. Bande

Guest house van Susan in Fatima

De avond valt pardoes