>> Terug <<

>> Home <<

 

 

 

30 maart 2020

 

Witte zwanen, zwarte zwanen

De aanpak van de coronacrisis blijkt bijzonder weerbarstig. Hiervoor zijn tal van redenen aan te wijzen. Daarnaast zijn er ongetwijfeld onbekende redenen in het spel, simpelweg omdat er nog veel onbekend is over het COVID-19 virus, evenals over haar uitwerking op de mens.

Feitelijk hebben we geen enkele ervaring met de ontwrichtende werking van een pandemie op onze moderne samenleving. Wat zal op de lange termijn het wereldwijde effect zijn op economie, welvaart, werkgelegenheid, inkomenssituatie en – verdeling, voedselvoorziening, gezondheidszorg, sociale voorzieningen, demografie, landelijke politiek, geopolitiek, goederentransport, economische migratie, milieu, noem maar op?

 

Hieronder noem ik twee redenen van de weerbarstigheid. De eerste betreft de onvoorspelbare invloed van het maatschappelijk handelen – ook wel: het menselijk handelen binnen het netwerk van maatschappelijke verbanden. Deze weerbarstigheid heeft een complicerende invloed op de aanpak van de crisis. Hierdoor is het vrijwel onmogelijk om langere termijn doelen te stellen en hierbij de juiste middelen te kiezen. Het populaire denken in termen van doelmatigheid en efficiency volstaat hierbij niet. We zijn in maatschappelijk verband veelal aangewezen op denken ‘ohne Geländer’, aldus Hannah Arendt. Deze politieke filosoof heeft ons hierover interessante dingen te vertellen. Ik stip er iets van aan.

 


Zwarte zwaan. Bron: Belegger.nl
 


Willem de Vlaming kijkt uit over de aankomsthaven van Oost-Vlieland
 

De tweede reden is de onbekendheid met de feitelijke oorzaak van de crisis. Bij onbekendheid gaat het soms om zaken waarmee we geen of te weinig rekening hebben gehouden, soms ook zaken die we over het hoofd hebben gezien of die we bewust genegeerd hebben. Maar er zijn ook zaken waarvan we tot dan toe het bestaan in het geheel niet kenden. Dit nu is het geval bij het COVID-19 virus.

De Libanese schrijver Nassim Taleb gebruikt in zijn boek The Black Swan (2008) voor ingrijpende gebeurtenissen waarvan we vooraf het bestaan niet kenden de term ‘zwarte zwanen’ – een verwijzing naar de ontdekking in 1696 van zwarte zwanen aan de westkust van Australië door VOC-avonturier Willem de Vlaming. Tot die tijd werd aangenomen zwanen altijd wit waren.

 

  

De weerbarstigheid van maatschappelijk handelen

Maatschappelijke processen gaan ons bevattingsvermogen verre te boven. Om dergelijke grootschalige processen te beschrijven en daarbij recht te doen aan hun omvang en complexiteit maken we dan ook dikwijls gebruik van passieve bewoordingen, zoals ‘de loop der dingen’ of ‘het gebeuren’. Vaak zeggen we enigszins berustend: ‘Dat soort dingen gebeuren nu eenmaal – zaken moeten hun beloop hebben’.

Planmatig, maatschappelijk handelen – op basis van doelen en middelen – is dan ook een heikele aangelegenheid. Niet zelden blijken gestelde doelen onhaalbaar en middelen onbruikbaar. Slechts heel zelden worden maatschappelijke projecten afgerond op basis van de oorspronkelijke doelen, specificaties, maatregelen en middelen. Ervaren projectmanagers neigen dan ook eerder tot ruimere toleranties en marges in de projectresultaten, dan naar nauwkeuriger specificering. Nodeloos om te zeggen dat hen dit in de moderne, activistische tijd door opdrachtgevers en managers niet altijd in dank wordt afgenomen.
 


 

Oorlogsenthousiasme bij studenten, Berlijn, Unter den Linden, 1 augustus 1914. Wie had op dat moment kunnen voorspellen dat de Eerste Wereldoorlog aan het westelijk front zou uitlopen op een massaslachting in de loopgraven?

Bron: wereldoorlog1418.nl

Maatschappelijk handelen is per definitie relationeel handelen. Daarnaast gaat het ook om vrij onbeheersbaar en onvoorspelbaar handelen. Het is vrijwel onmogelijk om in je eentje maatschappelijke processen te beïnvloeden. Je hebt niet alleen te maken met veelal onbekende factoren, maar ook met tal van participerende medemensen. Doorgaans handel je in een netwerk van betrokkenen – elk met een eigen karakter, visie, oordeel en inbreng – elk met een eigen perceptie van het doel, een eigen waardering van de middelen en een eigen persoonlijk belang. Een eenmaal genomen beslissing valt in dit netwerk al gauw ten prooi aan betrokken en goedwillende mensen die er naar eigen goeddunken invulling aan geven, niet in de laatste plaats omdat de oorspronkelijke beslissing onvermijdelijk vanuit een beperkt blikveld is genomen. Mede daarom zijn maatschappelijke processen onbeheersbaar en de gevolgen niet te voorspellen.

 

In The Human Condition (1958) heeft Hannah Arendt een in dit verband verhelderend onderscheid gemaakt tussen maatschappelijke basisactiviteiten, namelijk ‘arbeiden’, ‘werken’ en ‘handelen’. Een en ander is hieronder schematisch weergegeven.

 

Activiteit (Latijn)

Ten behoeve van

In het teken van

Conditie

Kwaliteit

Tijdsaspect

Menselijke hoedanigheid

Arbeiden

(laborare)

Levensonderhoud

Noodzaak

Aarde, natuur, leven

Inspanning,  vluchtigheid, gebondenheid

Cyclisch

Animal laborans

Werken (facere)

Cultuur, facilitering, vervaardiging

Nut

Aarde, artefacten

Expertise, meesterschap, ontwikkeling, duurzaamheid

Lineair, te plannen

Homo faber

Handelen (Agere)

Samenleving, individualiteit

Zin, betekenis

Wereld, mensen, pluraliteit

Menselijkheid, vrijheid, deugd,  waarde

Afhankelijk van de situatie

Zoön politicon

 

Drie opmerkingen:

1.

Na haar ervaringen met de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog heeft de joodse Hannah Arendt gepoogd het totalitarisme en het anarchisme te doorgronden. Haar filosofische oeuvre is erop gericht inzichtelijk te maken wat politieke vrijheid betekent voor burgers en samenleving. ‘Bij Arendt draait het om de vraag hoe de vrijheid beleefd kan worden en om de ruimte in de wereld die nodig is om die vrijheid te kunnen ontplooien. Hoe kunnen burgers die zich bij de wereld betrokken voelen en zich voor haar verantwoordelijk weten, in een uitdijende moderniteit een plekje in de wereld vinden, elkaar van de realiteit van die wereld overtuigen om gezamenlijk politiek te handelen?’ Aldus Karl-Heinz Breier.

 

2.

De filosofie van Arendt is aldus maatschappelijk en vooral politiek van aard. Dat is de reden waarom bij de maatschappelijke basisactiviteiten bijvoorbeeld niet ‘spelen’ wordt genoemd.

 

3.

Onder ‘handelen’ verstaat Arendt nadrukkelijk ook ‘spreken’ – handelen met woorden. ‘Handelen’ moeten we begrijpen als maatschappelijk relevant handelen. Hieronder valt dus ook het politieke optreden en de crisisaanpak.

 

Hiervoor is reeds de weerbarstigheid aangegeven van maatschappelijke processen en het – al dan niet projectmatig – beïnvloeden hiervan. Vanuit de driedeling ‘arbeiden’, ‘werken’ en ‘handelen’ kan deze weerbarstigheid eenvoudig worden verduidelijkt. In de huidige activistische tijd zijn we namelijk geneigd om ‘werken’ en ‘handelen’ met elkaar te verwarren. Bij maatschappelijke processen en grote projecten hebben de neiging om te denken in termen van nut, efficiency, doel en middel. Maar volgens Arendt gaat deze vorm van ‘bestelbaar’ denken alleen maar op in de begrensde sfeer van de materiële vervaardiging. Binnen het beperkte domein van de ambachtelijkheid is het zinvol om expliciete doelen te stellen en daarbij de juiste middelen te kiezen. Vervolgens kunnen we die doelen ook daadwerkelijk realiseren. Voor politiek en maatschappelijk handelen geldt dit niet.

‘Omdat wij altijd handelen in een web van relaties, zijn de gevolgen van elke daad in principe onbegrensd: elke daad brengt niet slechts een reactie, maar een kettingreactie teweeg, en elk proces is de oorzaak van onvoorspelbare vervolgprocessen. Aan deze onbegrensdheid valt niet te ontkomen; ze kan niet verholpen worden door iemands handelen in te perken tot een afgeschaalde, overzichtelijke begrenzing van omstandigheden, noch door gigantische rekensystemen te voeden met al het relevante materiaal. De kleinste daad in de meest beperkte omstandigheden draagt de kiem in zich van dezelfde onbegrensdheid en onvoorspelbaarheid; één daad, één geste, één woord kan voldoende zijn om welke constellatie ook te wijzigen. In tegenstelling tot ons werken weten wij ten aanzien van ons handelen werkelijk dat wij ten diepste nooit weten wat wij doen.’ Aldus Arendt in Politiek in Donkere Tijden (1999).

 

 

Niet te voorzien – niet voor te bereiden

Met virussen hebben we in de afgelopen eeuwen veel ervaring opgedaan. Op medisch-wetenschappelijk gebied is hierover ondertussen het nodige bekend. Het vakgebied van de virologie vormt een belangrijk onderdeel van de wetenschap over infectieziekten. Virologen hebben bij herhaling gewaarschuwd dat virussen snel en op onvoorspelbare wijze kunnen muteren en dat hierbij het gevaar van een pandemie niet denkbeeldig is.

In het verleden zijn er vaker (potentieel) gevaarlijke virusuitbraken geweest, waaronder pandemieën. Denk hierbij aan de Russische griep (1889-1890, ca. 1 miljoen doden), de Spaanse griep (1918-1919, ca. 50 miljoen doden), de Aziatische griep (1957-1958, ca. 1 miljoen doden), de Hongkonggriep (1968, ca. 1 miljoen doden) en de Varkensgriep (2009, ca. 300.000 doden) – alle veroorzaakt door een influenzavirus, zie ook hier. Vrij recent is de opkomst van het SARS-virus (2002) en het MERS-virus (2012). Deze zijn van het corona-type, zoals ook het huidige COVID-19 virus. Bij besmetting kan een acute, atypische longontsteking optreden met als gevolg ernstige ademhalingsproblemen (respiratry syndrome).

 

Ondanks dit alles kunnen we stellen dat de menselijke besmetting met het COVID-19 virus een volslagen verrassing was. Dat het virus in deze gedaante de kop op zou steken had simpelweg niemand kunnen voorspellen. Van het bestaan van witte zwanen wisten we ondertussen heel veel, maar een zwarte zwaan – dat was nooit eerder vertoond. En dus hebben we ons er in het geheel niet op kunnen voorbereiden. De huidige aanpak moet het dus goeddeels stellen zonder inzicht en relevante ervaring op het gebied van medische interventie, volksgezondheid en maatschappelijke impact.

Plotseling lijkt het alsof een deel van ons ‘normale’ denken en handelen niet langer toepasselijk is – alsof onze alledaagse verhouding tot het dagelijks gebeuren en onze innerlijke gesteldheid deels op losse schroeven komt te staan. In dit verband herhaal ik nog even de eerder genoemde woorden van Helmut Plessner: ‘Het menselijk gedrag beantwoordt steeds aan bepaalde verhoudingen die hem afstand laten houden, evengoed tot dingen en situaties als tot zichzelf. Een orde – welke ook – moet er zijn en daar moet het verder bij blijven. Als de zaken zo staan, weet men welke woorden te gebruiken, in de omgang weet men tot wie zich te wenden, het handelen kan volgens plan verlopen.’

 

Bij de ontdekking door Willem de Vlaming hadden zwarte zwanen nog geen eigen – door mensen verleende – identiteit. Wanneer we een volslagen nieuw verschijnsel aanschouwen zorgt het ontbreken van een vaste identiteit aanvankelijk voor bevreemding. In het geval van een zwaan beperkt zich deze bevreemding tot verwondering of verbazing. Toen tijdens een wandelsafari in Zuid-Afrika onverwacht een olifant met wijd flapperende oren kwam aanstormen, sloeg mijn bevreemding al gauw om in ‘ontzetting’. Ik was aan de grond genageld, de ontzetting belette me om ‘normaal’ te functioneren.

In het geval van het COVID-19 virus ontstaat geleidelijk aan een maatschappelijke ‘ontwrichting’. Het lijkt alsof de ‘gewrichten’ van gevestigde orde en het maatschappelijk raderwerk uit hun verband worden getild. Voorheen normaal functionerende systemen en structuren beginnen te haperen. We beginnen te merken dat het gebruikelijke ‘ordelijke’ denken op zijn grenzen stuit. Voor een deel is het oude denken in de nieuwe situatie onmachtig geworden.

 

‘Hoe kunnen we op basis van het bekende beschrijven wat het onbekende is?’, vraagt de eerder genoemde Nassim Taleb zich af. ‘Het onbekende is niet in termen van kennis te beschrijven’. Sterker nog, het zijn juist onze ervaring en kennis van het verleden die we al dan niet bewust als representatief beschouwen voor de toekomst. ‘Wanneer we eenmaal een bepaald wereldbeeld in ons hoofd hebben, zijn we geneigd alleen voorbeelden in aanmerking te nemen die bewijzen dat we gelijk hebben. Dankzij deze confirmation bias zal meer informatie niet vanzelfsprekend leiden tot betere kennis. Het zal er paradoxaal genoeg juist toe leiden ‘dat we steeds meer gesterkt worden in onze mening.’ ‘Ideeën zijn voor ons als het ware bezittingen waar we node afscheid van nemen. Hoe meer je weet, des te minder je signaleert.

 

Soms ook genereert een grotere hoeveelheid informatie extra hypotheses. Het gevolg is dat je je ook moet richten op meer verschillende varianten van bevestiging. Ons bevattingsvermogen is slechts een fractie vergeleken met de realiteit. Hoe meer hypotheses we bedenken, des te lastiger het voor ons wordt om alles wat we bedacht hebben te bevatten.

Ongemerkt levert deze historische bagage ons verwachtingen voor de toekomst. Dit weerhoudt ons ervan met een open blik naar de toekomst te kijken. De vanuit het verleden gevoede verwachtingen leggen een filter over onze waarneming. Taleb concludeert dan ook dat we ‘fantastische terugkijkmachines’ zijn. In ons dagelijkse ervaring lijden we aan een ‘retroperspectieve vertekening’ – we lijden aan een ‘naief empirisme’. Welnu, dat we achteraf de zwarte zwaan herkennen, inclusief zijn oorzaak en remedie, is voor toekomstige zwarte zwanen van geen enkel nut.

 

Historische kennis en zelfbevestiging verhinderen dus de waarneming en onderkenning van het onvoorspelbare. Naast deze confirmation bias hebben we ook te maken met een tweede mentale obstakel. Taleb spreekt in dit verband van ‘narratieve misleiding’. De kern hiervan wordt gevormd door onze natuurlijke neiging om de omvang en complexiteit van gebeurtenissen te reduceren. ‘We houden van verhalen, vatten graag samen en hebben de gewoonte om dingen te versimpelen – de reikwijdte en de omvang van dingen kleiner te maken dan ze zijn. […] Narratieve misleiding is een gevolg van het feit dat we het bijna niet kunnen laten om naar een reeks feiten te kijken zonder er een verklaring in te weven of er een logisch verband aan op te dringen, zonder er als het ware een pijl van betrekkingen in te schieten. Een verklaring bindt feiten samen, maakt ze begrijpelijk en zorgt er zo voor dat we ze gemakkelijker kunnen onthouden. Deze geneigdheid brengt ons echter op het verkeerde pad wanneer we er de indruk aan ontlenen dat we de dingen beter begrijpen. […] Onze neiging om betekenis en concepten op te dringen aan de door ons waargenomen dingen ontneemt ons het zicht op de details die samen het concept vormen. […] Hoe willekeuriger de informatie is, hoe groter de afmetingen ervan zijn, des te lastiger het is die informatie samen te vatten. Hoe meer je samenvat, hoe meer orde je aanbrengt, des te minder willekeurigheid. Vandaar dat de afwijking die ons aanzet tot vereenvoudigen ons eveneens laat denken dat de wereld minder willekeurig in elkaar zit dan feitelijk het geval is.‘ De details en de willekeurigheid die we geneigd zijn weg te laten, vormt een bron voor mogelijke zwarte zwanen.

 


Bron: oudheid.clubs.nl

 


Manhattan, New York

 

En derde beperking hangt samen met ons beperkte bevattingsvermogen. We zijn behept met een gebrekkige statistische intuïtie. Van onze ‘primitieve’ voorouders hebben we specifieke en nauwgezette instincten overgeërfd. Dankzij de evolutie ‘profiteren we ook van kennis van onze voorouders. Deze heeft zich vastgezet in ons biologische systeem’. Veel van deze intuïties komen ons in het dagelijks leven goed van pas. Denk hierbij aan allerlei emotionele en associatieve generalisaties, die maken dat we niet bij elke nieuwe gebeurtenis geheel opnieuw moeten uitvinden hoe te reageren. Dankzij een geweldig goede gezichtsherkenning en andere vormen van patroonherkenning zijn we in staat tot veel alledaagse contacten en bezigheden.

 

Daarentegen zitten met name statistische intuïties ons in de weg. Ze zijn ontstaan in een lange levensgeschiedenis in kleine, overzichtelijke gemeenschappen. Maar ze voldoen beslist niet in de huidige, moderne, complexe en omvangrijke samenleving.

Taleb: ‘In een primitieve wereld is het verschil tussen de bewering “de meeste moordenaars zijn wilde dieren” en de bewering “de meeste wilde dieren zijn moordenaars” onbelangrijk. Als je de twee verwisselt, maak je een denkfout, maar zonder noemenswaardige gevolgen. Onze statistische intuïtie is niet ontwikkeld voor een habitat waarin dit subtiele onderscheid een groot verschil maakt.’ Taleb citeert hierbij een uitspraak van John Stuart Mill: ‘Ik heb nooit gezegd dat de Conservatieven over het algemeen dom zijn. Ik heb gezegd dat domme mensen over het algemeen Conservatief zijn.’

 

Ook ons innerlijk voorstellingsvermogen zoals dit zich ooit ontwikkeld heeft in duizenden jaren leven in kleine rondzwervende groepen volstaat niet langer. Zeker, sinds mensenheugenis is er altijd al sprake geweest van zwarte zwanen. Maar de impact ervan bleef beperkt tot een kleine schaal van een of meerdere groepen. Aardbevingen, orkanen, ziekten, zonnestromen, overstromingen en droogte zijn van alle tijden en hele groepen werden erdoor getroffen. Maar meestal konden de overlevenden zich relatief snel en goed herstellen. Ze waren nog niet afhankelijk van een complexe infrastructuur voor transport, voedsel, energie, grondstoffen, medicijnen en geld. Ze hadden geen last van geopolitiek, werkloosheid of de Dow Jones index. Bij moderne calamiteiten gaat het niet alleen om de rechtstreekse impact op mensenlevens, maar ook om de langere termijn impact op de cultuur, op de kunstmatige leefomgeving. Laten we hopen dat laatstgenoemde, langere termijn impact niet al te ontwrichtend zal zijn.

 

 

  

 

>> Terug <<

>> Home <<