>> Terug <<

>> Home <<

 

 

 

25 april 2020

 

Opa op afstand – over ouderlijk en grootouderlijk geluk

Vandaag zouden we onze kleindochter Lisa bezoeken. Helaas hebben we het bezoek moeten afzeggen vanwege de geldende corona-richtlijnen. We houden gepaste afstand.

Met enige regelmaat zien we haar live op onze telefoon, terwijl ze zit te spelen, door de kamer kruipt en dappere pogingen doet om te lopen. Zodra ze het beeldschermpje ziet, verschijnt er een brede glimlach op haar gezicht. Ik ga er vanuit dat die glimlach pappa of mama betreft. Zij zijn het die haar op zo’n moment de telefoon voorhouden.[1] En als ze heel dicht bij de telefoon is, dan kan het zomaar gebeuren dat ze hem grijpt en vervolgens in haar mond stopt – op die leeftijd een belangrijke manier van kennismaken.

Aan de andere kant van de lijn doen wij verwoede pogingen om haar aandacht te trekken met liedjes, gilletjes of gekke bekken. Ze is nog te jong om te beseffen wat opa of oma betekent.

 

De huidige social distancing bevestigt een eerder vermoeden dat bij haar geboorte opkwam. Pappa of mama word je onmiddellijk zodra het kind geboren is. Mocht je dit als kersverse ouder nog niet beseffen, dan wordt dit je rap en ondubbelzinnig ingepeperd. Van meet af aan vraagt de boreling je aandacht op. Na een paar weken voeden, luiers verwisselen, nachtelijk gehuil en extra huishoudelijke werkzaamheden heeft het kind al bezitgenomen van je lijf en geest, om daar voorlopig ook niet meer uit te verdwijnen. Maar opa of oma word je niet op deze onverbiddelijke wijze.

 

Het opa- of oma-schap is veel vrijblijvender, zeker in de moderne tijd. De eigen kinderen hebben het ouderlijk huis verlaten en zijn naar elders vertrokken – dikwijls niet in de buurt. Ze hebben hun eigen leven en hebben hun handen vol aan werk, gezin en vrienden. Het contact met het ouderlijk huis beperkt zich tot een geregeld telefoontje en zo nu en dan een bezoekje. Omgekeerd willen moderne ouders, ook wanneer ze oud worden, hun kinderen niet tot last zijn. Kortom, tegenwoordig leven opa en oma veelal gescheiden van de kleinkinderen. Het geregelde contact beperkt zich hooguit tot een vaste oppasdag in de week. Op deze wijze gaan de kleinkinderen zich nauwelijks in je lijf nestelen. Anders gezegd, opa- of oma-schap is wat je er zelf in zoekt en wat je er zelf van maakt. Door specifieke omstandigheden was dit voor mij aanvankelijk nogal frustrerend.

 

Onderstaand essay is het resultaat van een zoektocht naar de oorzaak van deze frustratie. Wat deed het met me toen ik opa werd? Vanwaar die frustratie? Was ik meteen verliefd op mijn kleindochtertje? Hoe gaat dit bij grootouders in het algemeen – worden ze wel verliefd op hun kleinkind? Welke rol spelen grootouders voor kleinkinderen– vroeger en nu? Maken kleinkinderen de grootouders gelukkig? En hoe zit dat met kinderen en ouders? Wat bedoelen we met geluk en wanneer gebruiken we dit woord? Kun je geluk nastreven? Of moet je geluk hebben met geluk? Wat is voor mij de essentie van mijn opa-schap?

 

 

 

 

De eerste kennismaking

Vredig ligt ze tegen me aan, heerlijk warm. Haar adem is snel. Op gezette tijden voel ik een lichte spiertrekking, soms hoor ik een klein geluidje. Dit roept onmiskenbaar fysieke herinneringen in me op.

Ik had haar aarzelend en voorzichtig opgepakt, maar al spoedig hervonden mijn handen diezelfde vertrouwde grip als vroeger. Ja, zo voelt het om een pasgeborene vast te houden. Klein, kwetsbaar en ontvankelijk is ze, vol leven – vegetatief en zintuiglijk. Ons eerste kleinkind.

 

 

Ruim twee weken vóór de uitgetelde datum is Lisa geboren in het New Yorkse Presbyterian Hospital. Aangezien het nogal kostbaar zou zijn om meteen na de geboorte even aan te wippen, hadden we van tevoren reeds een week kraamvisite op Manhattan gepland. En om geen enkele druk op de bevalling te leggen hadden we onze heenvlucht geboekt voor ruim week na de uitgetelde datum. Al met al moesten we de eerste drie levensweken van Lisa noodgedwongen volgen middels afstandsbediening en cameratoezicht.

Aanvankelijk was dit – hoe kan het ook anders – fascinerend. Maar de geur ontbrak en fascinatie is niet duurzaam. Na enige tijd begon ik me gefrustreerd te voelen. Het was alsof er geen smaak aan zat, ik voelde me onthand.

 

Al spoedig na de geboorte stonden diverse wenskaarten op de kast in onze woonkamer, met teksten als ‘Hoe lief! Prachtig!’, ‘Geniet met volle teugen!’ en ‘Hoe bijzonder en wat een rijkdom!’ Bijzonder hartelijk.

Het is heerlijk om te zien hoe blij zoon en schoondochter zijn met hun pasgeborene. Het is fijn om je kinderen blij te zien. En ja, een baby is vertederend en ontwapenend. Bij de eerst aanblik  geef je je gewonnen.

Maar verliefd op mijn kleinkind? Was ik dat wel meteen? Een zekere extase vanwege het wonder van het prille leven, jazeker. En telkens wanneer mijn eigen zoon liefdevol en zorgzaam omgaat met Lisa, dan bespeur ik een vleugje erkenning voor mijn eigen vaderschap. Maar ‘rijkdom’, ‘met volle teugen genieten’? Na een week hebben we de kaartjes uit onze woonkamer verwijderd.

Het getrommel met ‘rijkdom’, het getrompetter van ‘verliefdheid’ en de lyrische jubel van ‘geluk’ – het paste niet bij mijn stemming. Toen al vermoedde ik: opa ben je niet – opa kun je worden. Opa-schap moet groeien – je moet er niet alleen affiniteit toe hebben, maar je moet er ook in (kunnen) investeren – je moet er handen en voeten aan geven.

 

De week kroamschudd’n in New York was prachtig en indringend. Lisa is een klein wondertje van nauwelijks een maand oud. Haar aanschouwen en vasthouden – daarvoor onderneem ik graag een vliegreis. Maar eenmaal teruggekeerd uit New York dringt de onrust zich weer op. Ik doe een poging om deze onrust met woorden een beetje tot bedaren te brengen. Kortom, schrijven geblazen. Let wel: mijn opa-schap is pril, dus wat ik hierover schrijf is allicht prematuur en theoretisch.

 

 

Moderne en primitieve grootouders

‘Opa’s en oma’s zijn zeldzaam in het dierenrijk. Als dieren al grootouder worden, dan bemoeien ze zich zelden met hun kleinkinderen’, lees ik in het Handboek voor Opa’s en Oma’s (2019) van Gerard Jansen. Antropologen hebben veldonderzoek gedaan bij jager-verzamelaars naar de rol van grootouders. Op basis hiervan zijn theorieën opgesteld omtrent het evolutionaire voordeel van met name oma’s in het archaïsche gezinsleven en het welzijn van de kinderen.

 

Bij de Tanzaniaanse Hazda die in kleine groepen van circa 20 personen leven, zijn de vaders de jagers. Met de opvoeding van jonge kinderen bemoeien zij zich nauwelijks. De moeders zijn de verzamelaars die niet alleen 60% van de calorieën aanleveren, maar ook nog de zorg voor de jonge kinderen op zich nemen. Al met al moeten de moeders een balans zien te vinden tussen het voeden van reeds gespeende kinderen en de zorg voor de baby’s.

Antropoloog Kirsten Hawkes heeft onderzoek gedaan bij de Hazda. Hieruit blijkt dat een groep duidelijk voordeel ondervindt van de aanwezigheid een of meerdere oma’s. Oma’s blijken zeer ervaren in het verzamelen, ze werken hard en zijn erg zorgzaam. Uit het onderzoek blijkt dat deze grootmoederlijke inbreng in gezondere en zwaardere kinderen resulteert, die eerder gespeend worden. Vrouwen die nog lang na hun menopauze doorleven zouden hiermee een doorslaggevend evolutionair selectievoordeel opleveren, aldus Hawkes’ grootmoederhypothese.

En de opa’s? Die komen er bij de opvoeding van de kinderen bekaaid vanaf, maar ook voor hen hebben de antropologen zo hun eigen hypothesen opgesteld. Al met al hebben opa’s en oma’s bij jager-verzamelaars hun eigen wel bepaalde en waardevolle rol.

 

Ik woon in Almelo – een moderne, beschaafde provinciestad. Net zoals in New York betrekken we onze calorieën bij de lokale middenstand. Wij leven in een gezinshuishouding en niet in een groep. Zoals gezegd, in ons kikkerlandje wonen opa’s en oma’s op zichzelf, in huizen of tehuizen. Weinige van hen zullen ervoor kiezen om vast bij een van mijn kinderen te gaan bivakkeren. En omgekeerd zitten de kinderen zelf niet op de voortdurende aanwezigheid en bemoeienis van grootouders te wachten.

 

In de loop der jaren is ons nest leeg geraakt en zo hoort het ook in een moderne en beschaafde samenleving. Kinderen behoren uit te vliegen. Als ouder ben je blij wanneer ze een beetje goed terecht zijn gekomen en wanneer de resterende contacten aangenaam blijven. Moderne kinderen zijn steeds meer wereldburgers. Zelfs in Almelo zullen ze je op een goede dag de rug toekeren.

 

 

Een chemie van verliefdheid

Rondom het ouderschap wordt driftig geromantiseerd en geïdealiseerd. Dat geldt ook voor het grootouderschap. Vervolgens wordt het ook nog commercieel opgeklopt en uitgebaat. Al met al worden de scheuren en barsten in het prille geluk – het slaaptekort, de bezorgdheid en het wennen aan de nieuwe gezinssituatie – vakkundig dicht geplamuurd. Voor de ouders in spe die nog geen notie hebben van het werkelijke ouderschap wordt de baby voorgespiegeld als de ultieme investering in levensgeluk.

In werkelijkheid is een pasgeborene een forse aanslag op je vrijheid en vitaliteit. Ook voor ouders die al kinderen hebben, is elke nieuwe geboorte de start van een ongewis avontuur. Menig roze kinderwens verkleurt na de bevalling al gauw naar herfstachtig bruin.

 

Het ophemelen van eigen kroost treffen we al aan in culturele mythen. In de klassieke oudheid werd kinderloosheid veelal als een schande of een vloek beschouwd. Met name zoons werden geacht een zegen te zijn. In de overwegend patriarchale samenlevingen betekende een zoon de mogelijkheid om het gezin, de stam of de gemeenschap op dezelfde voet en in dezelfde sociale verhoudingen voort te zetten. Daarnaast betekende het hebben van kinderen voor de ouders een gegarandeerde continuïteit van hun eigen levensonderhoud. Nog geen honderd jaar geleden betekende kinderloosheid in West-Europa een onzekere en dikwijls zware oude dag.

 

Naar het schijnt draagt de natuur haar steentje bij aan de romantiek van het ouderschap. Vrijwel zonder uitzondering zijn ouders in spe bereid om in sprookjes te geloven. Evolutiebiologen dichten de volwassen mens een sterk natuurlijk instinct toe als het gaat om voortbrengen van nakomelingen. ‘Van dattum’ is van origine een onbewuste drift die de geest benevelt. Het voortbestaan van de soort is hiervan de drijfveer, aldus de experts. Vanaf de vruchtbaarheid nestelt het verlangen naar nageslacht zich bij de meeste mensen in het onderbewuste. Dit verlangen is dikwijls aanzienlijk hardnekkiger, bestendiger en minder baatzuchtig van aard dan het verlangen naar een gouden halsketting, het winnen van de lotto of het scoren van het winnende doelpunt.

 

Bij de geboorte zorgt een uitgekiende hormonenmix ervoor dat de moeder smoorverliefd is op het kind. Zelfs de vader wordt bij de geboorte chemisch besmet. Deze chemische interventie van Moeder Natuur heeft een praktische reden. De natuur heeft haar schepselen voorzien van verzachtende remedies in het geval van indringende gebeurtenissen. Een bekend voorbeeld is het vrijkomen van adrenaline bij acute noodsituaties. Dit vecht-of-vlucht hormoon draagt ertoe bij dat pijnprikkels minder of geen kans krijgen om tot het bewustzijn door te dringen.

Of neem die schattige konijntjes die ‘s ochtends vroeg rondscharrelen in de duinen. Moeder Natuur heeft hen voorzien van een zwakke plek in hun fysieke gesteldheid. In verhouding tot hun sterke rug- en achterpootspieren hebben ze een kwetsbare ruggengraat. Wanneer een roofdier zo’n pluizig diertje te pakken krijgt, breekt de rug gemakkelijk onder het wilde spartelen. Het blijkt dat het konijn al bewusteloos of zelfs dood is voordat het wordt opgepeuzeld. En mocht het konijn heelhuids aan het roofdier ontglippen en een veilig heenkomen vinden, dan daalt het hoge adrenalinegehalte in het bloed razendsnel, waarbij onder meer het gelukshormoon endorfine vrijkomt: ‘Zo, en nu weer wat mals gras’.

 

Bij de eerste geboorte neemt het leven van de kersverse ouders een totaal een onvermoede wending. Plots wordt er een indringend en onontkoombaar appel op hen gedaan. Bij nacht en ontij moeten ze aan de bak. Kozen ze voorheen vrijwillig voor een doorwaakte nacht, nu is er feitelijk geen sprake meer van een keuze. Voor een vrijgezel zou een pasgeborene een frontale aanval zijn op de gemoedsrust, maar bij de jonge ouders wordt deze aanslag getemperd door een verfijnde cocktail van verliefdheidshormonen. Binnen de kortste keren worden de poepluiers, het indringende huilen en de doorwaakte nachten omgeven door de mantel van liefdevolle toewijding.

Maar ja, de verliefdheidscocktail raakt wel een keer uitgewerkt. Met een chronisch slaaptekort gaat het leven er op den duur minder fascinerend en vrijblijvend uitzien. Vanaf dat moment zijn er andere factoren die de band met het kindje verder smeden, zoals de onvoorwaardelijkheid waarmee de baby zich aan jouw zorg toevertrouwd, de omvangrijke eigen investeringen, en vermoedelijk ook de kersverse status van het hebben van een kind.

Onverminderd gaan de pasgeborene je ter harte. Maar elk genot heeft zijn keerzijde – ‘wass sich liebt, dass neckt sich’.

 

 

De mythe van het ouderlijk geluk

Dat kinderen de ouders gelukkig maken is volgens deskundigen een wijdverbreid misverstand. Zo blijkt uit een onderzoek van psycholoog Daniel Kahneman (uit 2004) dat moeders de zorg voor de kinderen even prettig vinden als huishoudelijke arbeid. Voor moeders die thuis zitten met hun kinderen geldt dat ze gemiddeld het meest vermoeid en geïrriteerd zijn van alle moeders.

Een Amerikaans onderzoek uit 2005 onder bijna 10.000 volwassenen laat zien dat dat mensen met thuiswonende kinderen meer last hebben van somberheid, angst, slecht slapen en lusteloosheid dan mensen zonder kinderen.

 

Hoe komt het dan dat de meeste mensen ‘van nature’ kinderen willen? Waarom verwachten mensen met een kinderwens dat het hebben van kinderen hen gelukkiger zal maken? En hoe kan het dat de meeste ouders van jonge kinderen vervolgens ook nog beamen dat het krijgen van kinderen hen daadwerkelijk gelukkiger heeft gemaakt? Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt namelijk het tegendeel.

Door de bank genomen is de tijd voorafgaand aan de komst van het eerste kind de gelukkigste levensperiode van ouders, aldus het onderzoek. Maar zodra er kinderen komen, worden ze minder gelukkig. Ook hiervoor geldt trouwens dat alles tijdelijk is. Zodra de kinderen het huis uit zijn, neemt het geluksgevoel weer flink toe. De conclusie van sociaal psycholoog Roy Baumeister is dat er sprake is van grootschalig zelfbedrog – self-defeating behavior. In het geval van ouderschap spreekt hij van de parenthood paradox.

 

Wat moeten we met deze paradox? Is hier eigenlijk wel sprake van een paradox?

Om te beginnen een droge en formele relativering: fundamenteel beschouwd zijn genoemde geesteswetenschappelijke conclusies speculatief. Wetenschap is niet meer en niet minder een product – zeg maar: resultaat – van de menselijke geest. Dat geldt ook voor het concept ‘menselijk geluk’. Welnu, formeel gezien is het onmogelijk om vanuit het resultaat door te dringen tot de oorzaak en aldus aan te tonen dat er betreffende geluk sprake is van zelfbedrog. Feitelijk kunnen we genoemde paradox herleiden tot het serieuzer nemen van gelukswetenschap dan van het eigen geluksgevoel.

 

Een ander probleem is de definitie van ‘geluk’. Geluk is een van die woorden die we heel gemakkelijk gebruiken, maar waarvan het moeilijk is om te zeggen wat het nou precies betekent. Geluk is een containerbegrip en de betreffende container bevat een ondoorzichtig droesem aan subjectieve betekenissen, emoties, waarden en boodschappen. Het bijzondere aan dergelijke begrippen is dat ze in de dagelijkse omgang niet problematisch zijn. Wanneer iemand mij glimlachend en enigszins dromerig toevertrouwt dat hij gelukkig is, dan zegt mij dat voldoende.

 

Zodra we echter van mensen verlangen om woorden als ‘geluk’ te definiëren in logisch-wetenschappelijk zin dan stokt veel van onze dagelijkse communicatie. Het definiëren van het begrip ‘geluk’ impliceert namelijk ook het sterk reduceren van de betekenis. Naast de subjectieve, gevoelsmatige aspecten wordt ook het onzegbare uit de container verwijderd. In existentiële zaken speelt het onzegbare een essentiële rol; waar woorden hun doel missen of bedelven, kan een stilte veel onthullen.

Kortom, het wordt problematisch wanneer je ‘geluk’ vanuit wetenschappelijk perspectief wilt definiëren. Dan doe je alsof de container altijd al een heldere oplossing van waarheden heeft bevat. Eerlijk gezegd vrees ik dat het oprukkende wetenschappelijkheid ervoor heeft gezorgd dat we dit in de huidige tijd in toenemende mate doen. Vandaag de dag afficheren we geluk vooral met plezier, tevredenheid, succes en erkenning – en in de haast nemen we ook individualiteit, eigenmachtigheid en vrijblijvendheid mee.

 

 

Een kleine geschiedenis van geluk

Tot voor kort was het leven helemaal niet zo vrijblijvend en plezierig. In grote delen van de wereld werden mensen geconfronteerd met honger en gebrek, stank en afval, ziekte en kindersterfte. Ook vandaag de dag worden overal in de wereld nog kinderen te vondeling gelegd, ter adoptie aangeboden of verhandeld. In de zestiende eeuw schreef Montaigne dat moeders hun eigen zuigeling overlieten ‘aan een min van twijfelachtige reputatie of zelfs aan een geit’ om vervolgens zelf min te worden van een kind uit welgestelde kringen.

Je zou zweren dat de mythe van het gelukkige ouderschap een luxe aangelegenheid is – iets van de moderne tijd. In dat geval is het dus ook heel wel mogelijk dat Baumeisters zelfbedrog niet zozeer in het zelf zit, als wel in moderne ideeën over geluk.

 

Geluk heette in de Griekse Oudheid eudaimonia, hetgeen letterlijk aangeeft dat er een ‘goede demon’ in het spel is. In de tijd van Homerus werd hiermee aangegeven dat geluk niet eigenmachtig af te dwingen is. In de Ilias en de Odyssee hebben helden en zelfs halfgoden hun lot niet in eigen hand. Ze kunnen weinig bewerkstelligen zonder de goedkeuring van de goden. Geluk valt je goeddeels ten deel; geluk wordt je aangedaan.

Zo’n drie eeuwen na Homerus heeft Plato zijn dialogen geschreven. Socrates, de hoofdpersoon in deze dialogen, geeft hierin aan dat deugd en wijsheid een primaire voorwaarde zijn voor geluk. Met macht, rijkdom, pleziertjes verstoorde je je innerlijke rust en kon je erop rekenen dat je geen gelukkig leven ten deel zou vallen.  

Aristoteles, een leerling van Plato, meende dat het geheim van een gelukkig leven vooral te maken heeft met hexis. Dit begrip wordt doorgaans vertaald met ‘dispositie’. Aristoteles ging er vanuit dat elk mens een specifieke, natuurlijke aanleg heeft en daardoor een eigen specifieke, natuurlijke positie inneemt te midden van zijn driften, emoties en behoeften. Dispositie betekent in dit verband de mogelijkheid om een beetje uit het centrum van je natuurlijke positie te treden. Aristoteles veronderstelde een beperkte vrijheid om het eigen gedrag bij te sturen – om binnen die vrijheid afstand te bewaren tot driften en korte termijn behoeften, en zodoende maat te (leren) houden. Het gaat om een subtiele balans tussen gebondenheid en vrijheid – tussen overgave en discipline. Het voortdurend oefenen van deze balans en de bijgaande gewoontevorming en matiging – dit alles vormt een belangrijk onderdeel van wat wordt ook wel 'levenskunst' genoemd. En of je leven ‘gelukt’ is, kun je nooit weten. Het opmaken van die balans is aan de goden.[2]

Onze verre voorouders beseften maar al te goed dat de natuurlijke loop der dingen soms wel en soms niet een wetmatig karkater heeft. In de loop van de evolutie is dit besef ingebakken in het instinct en het gedrag van alle organismen. Onze voorouders wisten uit ervaring ze hoe ze sommige van deze wetmatigheden in hun voordeel konden benutten, bijvoorbeeld voor jacht en landbouw. Met de komst van het geschreven woord is dit besef steeds explicieter geworden.

Eeuwen geleden was de loop der sterren al expliciet beschreven. Men kon voorspellingen doen aangaande hemelverschijnselen, zoals een zonsverduistering.

Eind zeventiende eeuw was door toedoen van wijsgeren als Descartes, Galilei en Newton overtuigend aangetoond dat de bovenmaanse wetmatigheden ook voor het ondermaanse gelden. In zijn hoofdwerk Philosophiae Naturalis Principia Mathematica heeft Isaac Newton de mathematische fundamenten van de natuurwetenschap uiteen gezet. Hiermee heeft hij een beslissende aanzet gegeven tot het rationele, mechanische wereldbeeld dat zo dominant is geworden sinds de tijd der Verlichting.[3]

 

De successen van de natuurwetenschap en de daaruit voortvloeiende technologie hebben het denkbeeld gevoed dat vergelijkbare wetmatigheden ook opgeld doen voor de menselijke geest. Daarmee zou het pad geëffend kunnen worden voor voorspellingen en beïnvloeding aangaande menselijk en maatschappelijk gedrag. Dit laatste stond uitdrukkelijk op het programma van de laat-achttiende-eeuwse rechtsgeleerde en filosoof Jeremy Bentham.

 

Op het gebied van recht, politiek en ethiek stond Bentham een op wetenschap gebaseerde sociale hervorming voor. Het was ‘een poging om de empirische redeneermethode van de fysische wetenschap uit te breiden tot de morele’.

Bentham meende dat ‘de natuur de mensheid onder de heerschappij heeft geplaatst van twee soevereine meesters: pijn en genieting. Zij alleen behoren ons de weg te wijzen en zij alleen mogen bepalen wat we moeten doen.’ Aldus vond Bentham een empirische grondslag voor het beoordelen van het menselijk gedrag in enkelvoudige, observeerbare ‘gelukselementen’. Het centrale begrip ‘geluk’ werd hierbij omschreven als ‘het ondergaan van genietingen en de afwezigheid van pijnen’.

 

Voor Bentham was het ‘beginsel van het grootste geluk’ maatgevend voor het handelen van mensen, instituties en overheid: ‘Het grootste geluk van alle belanghebbenden is het enig juiste en passende en algemeen wenselijke doel van dit handelen’. Met genoemde gelukselementen kun je in principe berekeningen uitvoeren – een ‘hedonistische calculatie’. Daarmee kun je vervolgens de hoeveelheid geluk en de spreiding van dit geluk voorspellen van een handeling of maatregel.

Genot en pijn bepalen dus niet alleen wat de mens doet, maar ook wat hij behoort te doen. Voor een samenleving zijn wetgeving en moraliteit op basis van het ‘grootste geluk principe’ van belang, aangezien de mens ‘op grond van zijn natuur’ overwegend zelfzuchtig is. ‘Hij prefereert zijn eigen geluk boven dat van alle andere sensitieve wezens’ – ‘individueel belang prevaleert over gemeenschappelijk belang’, aldus Bentham. Opwellingen van altruïsme en onbaatzuchtigheid komen weliswaar voor, maar ze ontspruiten ten diepste uit eigen belang – zucht naar erkenning, zelfbeeld en goed gevoel. Voor religie en alles wat niet te herleiden is tot concrete elementen had Bentham geen goed woord over. Religie was voor hem een bron van menselijke ellende en van intellectuele verwarring.

 

Onder invloed van het aldus ontstane berekenende denken en de toegenomen technische mogelijkheden is het klassieke geluk dat mensen ten deel valt vervangen door maakbaar geluk. Eudaimonia heeft plaatsgemaakt voor hèdonè. Meer en meer heeft geluk de betekenis gekregen van genot. En genot – dat kun je calculerend en doelbewust najagen.

 

 

Genot en tevredenheid

Het woord ‘geluk’ heeft iets te maken met ‘lukken’. Echter, ‘bij dat werkwoord is het onderwerp altijd onpersoonlijk of zakelijk en kun je het niet toeschrijven aan een lukker. Ik kan missen, voelen, zeuren en eventueel slagen, maar niet lukken. Als iets lukt, zeggen we dat het lukt’, aldus Cornelis Verhoeven. Het bouwen van een huis kan lukken, evenals het verzenden van een postpakket of de oplossing van een wiskundig vraagstuk.

 

Of iets lukt hangt af van het plan, de voorbereiding en de uitvoering. Maar ook de omstandigheden en het toeval moeten meezitten. Als het om zaken of dingen gaat, zoals een huis of een wiskundig vraagstuk, kun je de omstandigheden naar je hand zetten en het toeval goeddeels uitsluiten. In dat geval is het al dan niet lukken hiervan het resultaat van eigenachtig handelen.

Ook in menselijke aangelegenheden kan het uitvoeren van een vooropgezet plan lukken, bijvoorbeeld een relatie aangaan of een theatervoorstelling maken. Maar in dit geval moeten de omstandigheden en gebeurtenissen wel mee zitten. Je moet ‘geluk’ hebben, zeggen we dan. Maar wanneer het uiteindelijk allemaal gelukt is, zijn we blij, tevreden, trots of iets dergelijks.

Tegenwoordig zijn we geneigd om dit positieve gevoel ‘geluk’ te noemen. Onderzoek laat zien dat we dit geluk doorgaans groter noemen naarmate we er persoonlijk meer in geïnvesteerd hebben, maar tegelijkertijd moet je ook geluk hebben om gelukkig te zijn.

 

Met het begrip ‘geluk’ is het een beetje een ratjetoe. Voor de een is het iets dat buiten de eigenmachtigheid valt, iets dat je overkomt, iets heteronooms. In dit geval is geluk nogal ongrijpbaar, iets waar je zelf weinig invloed op hebt. Het woord ‘geluk’ moet je dan ook met enige terughoudend gebruiken.

De ander meent het geluk in eigen hand te hebben en poogt het actief op te wekken of na te jagen. Een populair criterium dat bij dit soort autonoom geluk gebruikt wordt is het subjectieve oordeel over jezelf en je eigen leven: in hoeverre is je leven gelukt? Geluk heeft dus niet alleen te maken met het lukken van eigen plannen, maar ook met het lukken van het eigen leven. Zoiets komen we bijvoorbeeld tegen in TV-programma’s waarin mensen gevraagd wordt een rapportcijfer te geven over het eigen leven en daarbij de hoogtepunten van het leven op te sommen (inclusief de bucket list die nog op het programma staat). Bij dit soort geluk blijkt economische welvaart ook een belangrijke rol te spelen.

Laten we deze twee interpretaties van geluk nog wat nader illustreren.

Voor Thomas Hobbes is geluk ‘een onophoudelijk voortgaan van de begeerte, van het ene object naar het volgende’ (Leviathan, 1651). Het is duidelijk dat geluk hiermee gelijk wordt gesteld met genot. Genot kun je actief najagen en telkens is de bevrediging van korte duur. Na de bevrediging volgt de kater en het verlangen naar meer. In deze geest is geluk een soort driftmatige zucht – een ‘pursuit of happiness’, maar dan nauwelijks bedwingbaar.[4]

Voor Hobbes was het actief najagen van genot geen vrijwillige zaak. Hij stelde onomwonden dat het menselijk handelen volledig wordt bepaald door fysieke driften. De onderliggende begeerten en aversies laten geen ruimte voor vrije wilsbesluiten. Alles wat voorafgaat aan het welslagen van de handeling – het plan, de voorbereiding en zelfs de uitvoering – is ten diepste het causale gevolg van de onderliggende driften. Over deze driften heeft de mens geen enkele zeggenschap. Het najagen van een begeerte kan hooguit belemmerd worden door iemand anders.

 

Enkele opmerkingen hierover.

1.        

Sinds enkele decennia is Hobbes’ opvatting over het menselijk najagen van begeerten – en de bijgaande causale afhankelijkheid van onbewuste driften – weer actueel. Althans, zijn opvatting vindt bevestiging in neurocognitieve kringen. ‘Alles wat we denken, doen en laten gebeurt door onze hersenen. De bouw van deze fantastische machine bepaalt onze mogelijkheden, onze beperkingen en ons karakter; wij zijn onze hersenen,’ aldus Dick Swaab in Wij Zijn Ons Brein (2010). En Victor Lamme stelt in De Vrije Wil Bestaat Niet (2010): ‘Ons brein bepaalt wat we doen. Onze gedachten, meningen en intenties hobbelen daar achteraan’.

Deze opvatting impliceert echter wel dat er van een bewust, doelgericht en actief najagen van geluk helemaal geen sprake kan zijn. Immers, ik het zelf niet die najaagt, maar mijn fysieke driften. Onbewust zijn zij aan het najagen en mijn hersenen (een ‘kwebbeldoos’, aldus Lamme) laat me denken dat ik dit zelf bewust en doelgericht doe. Feitelijk heb ik dus het geluk helemaal niet in eigen hand. Ik ben het dus niet die hier aan het lukken is. Ik kan hooguit stellen dat ‘het’ lukt. Ik heb dus niet een ‘vrije wil’ ter beschikking om mijn handelen bewust aan te sturen en mijzelf te laten lukken.

 

2.        

Bovengenoemde neurocognitieve stellingname over ‘vrije wil’ is niet vrij van complicaties (zie bijvoorbeeld ook hier). Hoe verhoud ik mij tot mijn begeerten? Heb ik invloed op die begeerten of op de praktische consequenties ervan? Heb ik bijvoorbeeld de keuze om ze te omarmen of juist te negeren? Kan ik ze al dan niet gehoorzamen op basis van redenen en overwegingen die ik waardevol acht en die ik nadrukkelijk als mijn eigen redenen ervaar? In deze geest rijzen er allerlei vragen op. Het betreft vragen waarop diverse wetenschappers en wijsgeren hun antwoord hebben gegeven, maar geen van deze antwoorden is definitief. Alleen al op logische gronden is de menselijke geest die zichzelf als fenomeen onderzoekt, is een onoplosbaar raadsel. Je kunt niet ongestraft de tak afzagen waarop jezelf zit. Zie bijvoorbeeld ook hier.

 

3.        

Ook het formuleren van een definitie van ‘vrije wil’ is problematisch. In bovenstaande vragen moet ik ook een duidelijk concept hebben van ‘ik’ – en dus ook van ‘mijn’ en ‘zelf’. Neem het ‘zelf’ – een ongrijpbaar fenomeen. Valt dit ‘zelf’ samen met mijn reflecterende bewustzijn? Is het hierin daadwerkelijk de centrale entiteit die ik in wakende toestand ervaar? En welke rol speelt het onbewuste in mijn ‘zelf’? Het lijkt er sterk op dat mijn ‘zelf’ een aanduiding is voor het feit dat ik eenheid en structuur ervaar in mijn overtuigingen en levenservaringen. Maar in dat geval zou mijn ‘zelf’ voor hetzelfde geld een soort legitimerend, innerlijk verhaal kunnen zijn.

 

4.        

Indien subjectiviteit niet meer dan een eigen verhaal is, dan rijzen er vervolgens ook vragen over de objectieve wereld. Bestaat er een objectieve wereld, los van mijn subjectieve bewustzijn? Edmund Husserl, de grondlegger van de fenomenologie, maakte op logische gronden duidelijk dat we weliswaar kunnen veronderstellen, maar formeel nooit kunnen bewijzen. ‘Kunnen rede en zijnde van elkaar gescheiden worden, wanneer de kennende rede bepaalt wat zijnde is?’

Volgens Husserl komt deze objectieve wereld voort uit een natuurlijke neiging om zo’n wereld te veronderstellen. Hij noemde deze neiging de ‘natuurlijke instelling’ – een onderdeel van het praktische, gezonde verstand. Problematischer is evenwel dat de moderne wetenschap klakkeloos deze veronderstelling heeft overgenomen en daarmee heeft aangetoond dat ze in fundamenteel opzicht geen strenge wetenschap is. Een echt strenge wetenschap behoort deze veronderstelling resoluut terzijde te schuiven en zich louter te richten op de ‘primaire gegevenheden’, namelijk de fenomenen zoals die zich aan onze waarneming voordoen. Wanneer ik de vooronderstelling van een objectieve wereld ‘tussen haakje plaats’, is het enige wat mij ter beschikking staat mijn eigen subjectieve ervaring in mijn eigen leefwereld.
Welnu, de moderne wetenschap is in de loop der tijd zozeer maatschappelijk overtuigend geworden door zijn eigen praktische resultaten dat de natuurwetenschappelijke feiten de fenomenen hebben overwoekerd. Wij, moderne mensen, zijn bevangen geraakt door de feiten. En daarmee heeft de wetenschap zich afgewend van de mens, van zijn leefwereld, zijn intenties, zorg, waarden en zin. Ze heeft zich afgewend van ‘de hoogste en laatste vragen’. Kernachtig stelde Husserl: ‘De blinde die graag zou willen zien, wordt niet ziende door wetenschappelijke bewijzen’.

Zie verder ook hier.
 

5.        

Ik kan me ook afvragen wat de verhouding is van mijn ‘zelf’ tot beide werelden – de subjectieve en de vermeend objectieve wereld. In mijn subjectieve wereld ervaar ik mijn ‘zelf’ in het centrum. Maar in de objectieve wereld van materie, energie en natuurwetten is het ‘zelf’ een buitenstaander, een toeschouwer. Is er wellicht sprake van twee ‘zelven’ – een ‘subjectief zelf’ en een ‘objectief zelf’ – een denkend ‘zelf’ en een ervarend ‘zelf’?

 

6.        

Neurocognitief onderzoek lijkt uit te wijzen dat we daadwerkelijk beschikken over twee onderscheiden, cognitieve systemen. Het ene systeem – evolutionair gezien oud en algemeen aanwezig bij dieren – bestaat uit een diverse autonoom en parallel werkende subsystemen. De verwerkingscapaciteit van dit systeem in vrijwel ongelimiteerd. Het omvat aangeboren vormen van intuïtie en specifieke ervaringskennis die verkregen is op basis van een globaal, neuraal leervermogen. Dit systeem wordt ook wel kortweg ‘systeem 1’ genoemd.

‘Systeem 2’ is pas recent opgekomen in de evolutie. Hoewel het ook voorkomt bij sommige dieren, zoals mensapen, dolfijnen, kraaien en olifanten, is dit systeem het meest pregnant en invloedrijk aanwezig bij mensen. Dit systeem geeft de mogelijkheid tot abstract redeneren en hypothetisch denken. De capaciteit is beperkt, het gebruik ervan kost veel energie en gedurende haar werkzaamheid moet ‘systeem 1’ onderdrukt worden.

 

7.        

In Thinking Fast and Slow (2011) van de eerder genoemde Daniel Kahneman komen deze cognitieve systemen uitdrukkelijk aan bod. In zijn psychologische beschouwen spelen ze een belangrijke rol. Kahneman spreekt in dit veelgeprezen boek dan ook over een gespleten menselijk ‘zelf’, bestaande uit een ‘ervarings-zelf’ (o.b.v. systeem 1 – het ‘objectieve zelf’) en een ‘herinnerings-zelf’ (o.b.v. systeem 2 – het ‘subjectieve zelf’). Daarbij verwoordt Kahneman het onoplosbare enigma van het ‘zelf’ als volgt: ‘ik ben mijn herinnerings-zelf; en mijn ervarings-zelf, de werkelijke actor in mijn leven, is als een vreemde voor mij’. Het ervarings-zelf ervaart, het herinnerings-zelf maakt er een verhaal van. En wat blijkt? Het denken is nooit in staat om het zijn op heterdaad te betrappen. Hier zitten we dus met een empirisch probleem. Zie verder ook hier.

 

8.        

Dit alles neemt niet weg dat er wereldwijd de objectieve feiten de subjectieve fenomenen verdringen. Het typisch menselijke is onderwerp geworden van een calculatiedrift, zo ook het menselijk geluk. Ruut Veenhoven, emeritus hoogleraar Sociale Condities voor Menselijk Geluk is de oprichter van de World Database of Happinessen het Journal of Happiness Studies. Veenhoven definieert geluk als ‘de overwegende tevredenheid met het leven als geheel.’ En geluk in deze zin kan worden gemeten door mensen hierover te bevragen middels enquêtes. Door scores aan de antwoorden te verbinden kun je geluk kwantificeren en als een economische uitkomst gebruiken in specifieke economische vraagstukken.

Het zal duidelijk zijn dat de hierbij toegepaste zelfevaluatie en scores afkomstig zijn van ‘systeem 2’, van het ‘het herinnerings-zelf’. Anders gezegd, een psychometrische geluks-score is niet zozeer de overwegende tevredenheid met ‘het leven als geheel’, maar met het eigen verhaal hierover.

 

9.        

Tevergeefs heeft Daniel Kahneman gepoogd het ‘ervarings-zelf’ over geluk te bevragen. Ook zijn ingenieuze Day Reconstruction Method ontkomt niet aan het oordeel van het herinnerings-zelf (zie bijvoorbeeld hier). Bij zelfevaluatie gaat het altijd om ‘terugkijken’.

Het innerlijke verhaal van de ‘overwegende tevredenheid’ wordt opgebouwd en voortdurend bijgesteld, vooral op basis van emotionele ervaringen. De emoties zelf doven vrij snel uit en wat overblijft zijn innerlijke illustraties en verbalisaties. De sterkste emoties – met name uit de jeugd en adolescentie, en uit het recente verleden – hebben goeddeels de inhoud van het verhaal bepaald, vaak zonder dat we ze nog levendig evident zijn.

 

10.    

Mijn ‘overwegende tevredenheid’ is allesbehalve een objectief en consistent verhaal. Om te beginnen is het geen letterlijk verslag van mijn ervaringen. Het is het resultaat van onbewuste vervormingen – van allerlei nadruk, weglating en toevoeging. Een van deze onbewuste mechanismen is door Kahneman gemunt als de Peak-end Rule. Als je terugkijkt naar een ervaring, dan blijken twee dingen belangrijk te zijn, namelijk sterkste emotie tijdens de ervaring, en de emotie op het laatste moment van de ervaring. Beide bepalen onbewust mijn zelfevaluatie van die ervaring.

Mijn verhaal wordt niet alleen bijgesteld op grond van nieuwe ervaringen, het speelt ook een cruciale functie in het in standhouden en bijstellen van mijn sociale en culturele identiteit. In die zin vormt het een onderdeel van mijn zelfbeeld. Het verhaal dient dan ook ter legitimatie, competitie en compensatie. 

 

11.    

Zoals Hobbes al aangaf, gaat het bij genot om ‘een onophoudelijk voortgaan van de begeerte, van het ene object naar het volgende’. Het driftmatige voortgaan maakt het veiligstellen van het genot dikwijls belangrijker dan het daadwerkelijk genieten. Iets dergelijks geldt ook voor ons verhaal. De bijkomende bezigheden – het veiligstellen van toekomstig genot en het in stand houden van het verhaal – verhinderen veelal dat ik daadwerkelijk geniet. In die zin heeft zelfevaluatie wel iets weg van fotograferen. Fotograferen is primair bedoeld om ervaringen vast te leggen; het genieten staat op het tweede plan. Zelf-evaluerend leven – leven door de camera – levert mooie herinneringen, maar minsten zovele verloren momenten van potentieel ‘geluk’. Zowel de herinneringen als de weemoed van gemiste ervaringen dragen bij aan ons verhaal. Voor fotograferen geldt wat Verhoeven ooit schreef: ‘Kijken wordt niet voorgeschreven en is ook niet gewenst. Het zien van de merkwaardige dingen is alleen maar even hun bestaan verifiëren en afchecken op een lijstje van dingen die gezien moeten zijn. We hoeven er niet van te genieten, maar ze moeten in ons archief zijn als bewijs dat we meegedaan hebben, als een kwitantie’.

 

Tot zover de eerste interpretatie van ‘geluk’. ‘Geluk’ heeft hierbij de betekenis van genot. Wanneer het gaat om een vorm van zelfevaluatie – de enige manier om ‘geluk’ te kwantificeren, dan betreft het een vorm van tevredenheid: tevredenheid met het eigen verhaal.

 

 

Aangedaan geluk

‘Ik kan missen, voelen, zeuren en eventueel slagen, maar niet lukken. Als iets lukt, zeggen we dat ‘het’ lukt. Het ik staat niet los van het dulden, voelen en zeuren; maar bij ‘lukken’ is die band, als hij al bestaat, in elk geval niet dwingend aan te wijzen.’

Volgens Verhoeven geldt voor geluk iets vergelijkbaars als voor slapen. Je kunt het niet eigenmachtig, langs actieve en wilsmatige weg bereiken. Als slapen al een doel is, dan kunnen we dit doel feitelijk alleen maar bereiken door overgave – een vorm van passiviteit. Hetzelfde kan ook gezegd worden van ‘het geluk, het inzicht, de liefde en de vrede, van alles wat zich, door de omvang van zijn betekenis alleen al, onttrekt aan de greep van de eigenmachtigheid. Het essentiële in ons leven wordt ons gegeven, aangedaan, te beginnen met het pure bestaan zelf.’

 

In deze interpretatie heeft geluk dus meer te maken met aanwezigheid, ontvankelijkheid en dankbaarheid. Op indringende wijze is dit verwoord in een brief van Etty Hillesum vanuit het doorgangskamp Westerbork, drie maanden voor haar dood in Auschwitz. ‘Wanneer ik sta, in een hoekje van het kamp, mijn voeten geplant in jouw aarde, het gezicht geheven naar jouw hemel, dan lopen me soms de tranen over het gezicht, geboren uit een innerlijke bewogenheid en dankbaarheid, die zich een uitweg zoekt.’

 

Zoals reeds aangegeven vereist de tweede interpretatie van geluk enige verbale terughoudendheid. Ik kies uitdrukkelijk voor deze interpretatie. Ik leg me er dus bij neer dat geluk niet te begrijpen is, niet te definiëren of in positieve bewoordingen te vatten, noch actief na te jagen.

Ik moet me overwegend  beperken tot negatieve bewoordingen – woorden die om de woordeloze essentie heen cirkelen en voornamelijk aanduiden wat geluk niet is. In die zin zou je kunnen stellen dat ik in de vorige paragraaf over beide geluksinterpretaties geschreven – namelijk wat eigenmachtig geluk is en wat aangedaan geluk niet is.

 

Volgens de tweede interpretatie wordt geluk me aangedaan – het overkomt me. Het is een appel van elders dat mijn autonomie kan doorbreken en aldus tot me kan doordringen. In deze zin heeft geluk niets van doen met mijn ‘overwegende tevredenheid’. Eerder is het zo dat aangedaan geluk mijn verhaal dikwijls tot een banale aangelegenheid maakt en elk rapportcijfer devalueert tot een administratieve of rekenkundige artefact.

 

Aangedaan geluk heeft dan niets te maken met eigenmachtigheid, dit laat onverlet dat ik er wel degelijk iets voor moet doen en mijn eigen keuzen voorwaardelijk zijn. Cruciaal is de wijze waarop ik het leven beaam door het te aanvaarden en op me te nemen. Het heeft geen zin om te wachten tot het geluk me overkomt. In die zin lijkt geluk een beetje op een valk die mij als prooi in de nek grijpt. Daartoe moet ik niet stil in een hoekje blijven zitten, maar zichtbaar in beweging zijn. Voor aangedaan geluk geldt in zekere zin de boeddhistische parabel van de monnik die aan zijn meester vraagt: ‘Meester, wilt u mij vertellen hoe ik verlicht word?’ De meester vraagt op zijn beurt: ‘Heb je je gerstepap opgegeten, beste noviet?’ Nadat de monnik dit beaamd heeft, antwoordt de meester: ‘Ga dan je bord afwassen.’   

 

 

Dierbare woorden – taalhygiëne

Bovenstaande getuigenis van Etty Hillesum geeft de indruk van geluk dat haar door het moment en de omstandigheden wordt aangedaan. Toegegeven, we kunnen haar getuigenis ook opvatten als een vorm van zelfevaluatie. In dat geval is het onderscheid tussen beide interpretaties dus arbitrair.

Dat ik desondanks onderscheid maak en voor een tweede interpretatie kies, is louter op subjectieve gronden. Het heeft vooral te maken met het taalgebruik. De getuigenis van Etty Hillesum is een uiting van een specifieke gemoedstoestand. Hoe vaak dit geluk haar ook overkomt, telkens is het weer een unieke ervaring. Haar uiting onthult een diepte van haar gemoed. Uit haar woorden proef ik geen tevredenheid of genot; van eigenmachtigheid is geen sprake. Voor mij getuigt het van een onvoorwaardelijke beaming van het leven – zonder verwachtingen of verlangens. Haar woorden, geplaatst in de context waarin ze deze heeft geschreven, getuigen van deemoed zonder een spoor van weemoed. Hierover verderop meer.

 

Elk aangedaan geluk is een ervaring op zichzelf, waarin je je uitgetild voelt boven het tijdelijke, begrensde, intentionele en bezorgde denken. Dit geluk heeft meer te maken met verminderen dan met vermeerderen – het is meer loslaten dan vastgrijpen, vastleggen en verzamelen: heaven is floating, hell is steering. Statistisch gezien is zo’n unieke ervaring totaal irrelevant. Hieruit een score herleiden zou absurd zijn. Het zal dus ook duidelijk zijn dat we voor het evalueren van ‘overwegende tevredenheid’ een heel ander taalspel gebruiken.

 

Met genot en tevredenheid is op zichzelf niets mis, maar het betreft een andersoortige kwaliteit dan geluk, zowel in persoonlijk als in maatschappelijk opzicht. In de huidige tijd worden hedonisme en consumptieve zelfexpressie als sociaaleconomische kwaliteit rijkelijk gestimuleerd middels marketing en reclame. Naast economische voordelen heeft deze maatschappelijke ontwikkeling ook zijn keerzijde. Met het stimuleren van hebzucht en vluchtigheid ondermijnen we de voor cultuur onontbeerlijke terughoudendheid.

Ik vrees dat we niet veel anders kunnen doen dan dit feit constateren, accepteren en in zijn maatschappelijke doorwerking pogen bij te sturen. Maar dit betekent wel dat we genot en tevredenheid niet mogen opvatten als menselijk of cultureel ideaal, bijvoorbeeld als nastrevenswaardige persoonlijke deugden.

Voor mij heeft geluk daarentegen wel te maken met een ideaal, zij het met de eerder genoemde kanttekening dat dit ideaal niet eigenmachtig na te streven is. Als zodanig kan geluk dus ook geen deugd worden genoemd.

 

Verhoeven heeft het woord ‘geluk’ opgenomen in een postuum uitgegeven register van Dierbare Woorden (2003) met in totaal ruim 500 woorden. Per dierbaar woord heeft hij een bladzij besteed aan een subjectieve beschouwing. Dit werk is ooit ontstaan uit een serie columns in het dagblad Trouw, met als ondertitel ‘Kwetsbaarheid’. Wie de beschouwingen leest, bemerkt dat vooral woorden voor Verhoeven dierbaar waren die moeilijk grijpbaar en definieerbaar zijn en mede daardoor kwetsbaar voor taalmisbruik en erosie van zin en betekenis. Tegelijkertijd ontkomt de lezer niet aan de indruk niet alle woorden hem daadwerkelijk dierbaar waren - integendeel. Een woord als ‘eigenmachtigheid’ wordt in zijn beschouwing op subtiele wijze ontmaskerd – onder andere vanwege ‘een overmaat aan kinderlijke parmantigheid’ – en zijn plaats gewezen. In kan me goed vinden in Verhoevens concept van dierbare woorden.

 

Aangaande het dierbare woord ‘geluk’ besluit Verhoeven zijn beschouwing met de woorden: ‘Oog in oog met iets wat wij zelf geproduceerd hebben of waarvoor wij een zware strijd hebben gevoerd en wat ons niet in het verlengde van onze inspanning in de schoot geworpen is als een onverdiend geschenk, voelen wij ons helemaal niet gelukkig, maar hooguit een beetje tevreden, maar gewoonlijk nogal teleurgesteld. Gelukkig zijn wij eerder, als iets lukt en wij niet weten waar we dat aan hebben verdiend.’

 

Al met al beoog ik een vorm van taalhygiëne. Dierbare woorden moeten we in bescherming nemen tegen teveel eigenmachtigheid en bestelbaarheid, tegen mechanische slijtage, statistische vervlakking en commerciële uitbating. Voor ‘geluk’ betekent dit dat we het niet dienen te vereenzelvigen met genot en tevredenheid. Ik zou bijzonder tevreden zijn wanneer we het onderzoek naar geluk, zoals bijvoorbeeld gepromoot door Veenhoven, scharen onder de noemer tevredenheidsonderzoek. Ik ben ervan overtuigd dat het calculerend administreren van geluk ten bate van sociaaleconomische doeleinden (interpretatie 1) niet ten goede komt aan het menselijk geluk (interpretatie 2).

 

In het onderstaande probeer ik woorden te geven aan mijn eigen beperkte ervaring met aangedaan geluk. Ongetwijfeld zal mijn voordenvloed flets afsteken tegen de indringende getuigenis van de jonge Joodse vrouw. Tegelijkertijd besef ik dat dit geluk niets van doen heeft met evaluaties, gradaties en onderlinge vergelijkingen.

 

 

Het appel van de ander

 

Geluk heeft dus niet te maken met eigenmachtigheid en aanverwante aangelegenheden – met maakbaarheid, beheersbaarheid, controle, veiligstellen en krampachtigheid. Wanneer het geluk mij overkomt is tot op zekere hoogte juist een tijdelijke verlichting of verlossing hiervan.

Geluk kan me overrompelen door stilte en leegte of juist door majesteitelijke pracht of massiviteit. Maar het kan me ook treffen in contact met een ander mens. En dat speelt – hoe kan het ook anders – een centrale rol in ouderlijk geluk.

 

Zelf bleek ik van nature niet zo rijkelijk bedeeld met verliefdheidshormonen. Althans, bij de geboorte van mijn kinderen heb ik er niet veel van gemerkt. Ik was niet op slag verliefd. Wellicht dat ik sowieso niet zo in mekaar steek. Voor zover ik me herinner, was het vooral hard werken. En ik veronderstel dat ik door de inspanning, de aanvankelijke worsteling en de daaropvolgende betrokkenheid gaandeweg besmet ben geraakt door een andersoortige chemie – iets met betekenis en zin, en ook iets met vrijheid. Dit laatste mag vreemd klinken, gezien het feit dat kleine kinderen vanwege hun geregelde en dwingende appel doorgaan voor ‘handenbinders’.

 

Op een merkwaardige wijze appelleert de ander aan mijn innerlijke harmonie – veelal onmerkbaar, maar soms ook overrompelend. Dikwijls betreft het een verontrustende dissonant. Net zoals ziektekiemen het afweersysteem alarmeren, zo alarmeert deze dissonant mijn innerlijke rust. Of ik het nou ‘rust’ noem of ‘harmonie’ – telkens opnieuw maakt de dissonant me bewust dat het in werkelijkheid gaat om een wankele, krampachtig in stand gehouden, innerlijke gesteldheid. Bij een dreigende verstoring gaan meteen alle alarmbellen rinkelen.

En ik weet terdege dat deze dreiging reëel is: ten diepste is de ander nooit herleidbaar tot mijn beeld van die ander. Die ander herbergt de mogelijkheid dat mijn beeld doorbroken wordt en dat ik gekwetst word. Hiertegen moet ik mij verweren.

Een fysieke kwetsuur is tot daaraan toe, maar een deuk in mijn zelfbeeld is moeilijk te verteren. En daarin schuilt het verontrustende van genoemde dissonant. Het verontrustende bestaat erin dat het appel van de ander te allen tijde een ontmaskering kan zijn – niet alleen van mijn beeld van de ander, maar vooral ook – en tegelijkertijd riskanter – van mijn eigen zelfbeeld.

 

De gemakkelijkste en meest frequente reactie op dit appel is afwerend: ‘O jee, daar zullen we hem weer hebben!’, ‘Typisch Marianne!’, ‘Jezus, wat is dat kind toch een zeur’ of ‘Dat eergevoel van die Turken ook altijd!’ Dikwijls lukt het me, al dan niet bewust, om op een dergelijke stereotypische wijze het onherleidbaar anders-zijn van de ander herleidbaar en aldus onschadelijk te maken. Anders gezegd: mijn natuurlijke afweer bestaat eruit dat ik het appel van de ander gauw herleid tot een gemakzuchtig beeld van de ander. Met als geruststellend resultaat dat mijn autonomie niet is aangetast.

Wanneer het appel daarentegen wel doordringt, wordt ik gealarmeerd en doet het mij uit mezelf ontwaken. En hoewel bijgaand gevoel overwegend angst oproept, kan het me soms ook even uit mezelf bevrijden. Dat is het moment waarop een vleug van heteronomie naar binnen dringt en het zware harnas van mijn autonomie een beetje wordt losgemaakt. En dat is wat ik als vrijheid ervaar – misschien moet ik dit wel ‘geluk’ noemen.

 

Van nature ben ik meer gericht op dingen en ideeën dan op mensen. Maar het zijn nou juist de mensen om me heen die voor mij de angstaanjagende mogelijkheid in zich dragen om voor even uit mezelf bevrijd te worden. En het is bij uitstek de pasgeborene waartegen mijn verdediging niet opgewassen is.

In die zin heb ik de komst van mijn eigen kinderen op den duur wel degelijk als een zegen kunnen ervaren. Elke geboorte was overrompelend en het verzet was heftig. Maar de wapens waarmee de pasgeborene zijn intrede doet, zijn geducht: nachtelijk gehuil, geregelde voedingen, vieze luiers, vervelende kraamvisites, noem maar op. Maar zijn meest geduchte en besmettelijk wapen is deemoed.

 

 

Deemoed

Zoals hierboven aangegeven, schuilt in het appel van de ander een verontrustende mogelijkheid dat mijn eigenmachtigheid doorbroken kan worden. Diverse factoren spelen hierbij een rol. In het bijzonder betreft dit de intensiteit van het appel en mijn ontvankelijkheid ervoor. Voor beide geldt: hoe minder hoogmoed in het geding is, des te groter de kans dat het appel doordringt.

 

Bij een ontmoeting hebben de betrokkenen hun eigen intentie en inbreng. Maar bovenal is het een vorm van gebeuren. Teveel intentie houdt dit gebeuren buiten de deur, en dat geldt ook voor teveel denken. Met het teveel aan eigenmachtigheid loop je het risico dat de openingen die een ontmoeting in zich draagt keurig worden toegedekt.

We kunnen vertrouwelijk met elkaar van gedachten wisselen, adviezen geven en diepgaand filosoferen, maar met een opspelend ego is het niet veel meer dan het voeden en in stand houden van het eigen zelfbeeld. Met hoogmoed kun je vrijwel elk gebeuren trotseren. Hoogmoed is een vorm van geweld tegen het gebeuren.

 

Dit geldt niet voor deemoed. Verhoeven: ‘Deemoed kan heel goed de aanduiding zijn van het menselijke gevoel van kleinheid, dat ons op alle beslissende momenten van het bestaan overvalt en dat op geen enkele manier het effect van menselijke onderdrukking of onderwerping is. Het is het aangename gevoel dat wij uiteindelijk de belangrijkste dingen niet zelf maken of veroveren, maar dat wij die cadeau krijgen, dat we er in hogere mate de verbaasde en kleine getuigen van zijn dan de trotse bewerkers.’

 

Ook het dagelijks leven en het maatschappelijke verkeer kunnen we zien als een vorm van gebeuren. We zijn zorgzaam en hebben goede bedoelingen, en tegelijkertijd zijn we zelfzuchtig en onnadenkend. Menselijke kwaliteiten, tekorten en intenties hebben we met elkaar gemeen. Maar elk mens handelt anders om zijn doel te bereiken – de een is behoedzaam en geduldig, de ander meer impulsief. En zo vormen we met elkaar een onontwarbare kluwen van maatschappelijke dynamiek. Oorspronkelijke intenties raken al gauw uit beeld in dit warrige gekrioel. Binnen dit gebeuren kunnen de beste bedoelingen uitdraaien op schade en onbegrip. En wat dan volgt is niet zelden een onophoudelijke, schijnbaar causale keten van vergelding – oog om oog en tand om tand. Het vergt deemoed om elkaar uit deze keten te bevrijden.

 

Vergeving kan worden beschouwd als een noodzakelijke herstelmogelijkheid voor misstappen in de menselijke levenswandel. In een pluriforme, dynamische gemeenschap van handelende personen is vergevingsgezindheid dan ook een essentiële kwaliteit.

Vergeving bevrijdt ons van de last van wrok, wraakzucht, zelfzucht. Het komt niet alleen de dader ten goede, maar zeker ook de benadeelde.

Naast de bevrijding van de last van een begane misstap biedt vergeving ook de mogelijkheid om met een schone lei te beginnen. Vergeving verliest immers zijn bevrijdende karakter wanneer er voorwaarden aan worden gesteld of wanneer het opgenomen is in een ruileconomie van ‘voor wat hoort wat’.

Voor de duidelijkheid – dit is geen pleidooi tegen het expliciet benoemen van misstappen en het bestraffen van opzettelijke misdaden. Woede en wrok zijn reëel; straf, schuld en berouw zijn onontbeerlijk in de samenleving. Maar in dit specifieke geval gaat het mij om de moed om te vergeven, de moed om zaken achter je te laten en opnieuw beginnen. Het gaat om de pijnlijke moed om hoogmoed los te laten ten gunste van deemoed.

 

Welnu, een pasgeborene is het toonbeeld van deemoed: weerloos, kwetsbaar, verwonderend, onvoorwaardelijk. Desondanks is de boreling op levenslustige en allesbehalve onderworpen wijze aanwezig. In al zijn deemoed trekt hij de volle aandacht van aanwezigen.

In de nabijheid van een pasgeborene wordt de aandacht niet alleen getrokken maar ook geïntensiveerd. Zozeer soms dat een volwassene zich klein, vertederd en deemoedig voelt. ‘Ik meen, dat dit gevoel van zeer elementaire aard kan zijn, dat het niets te maken heeft met willoze onderworpenheid aan hogere machten of aan menselijke willekeur en dat mensen die het helemaal niet kennen of het negeren, iets heel elementairs missen, het gevoel voor een verhevenheid buiten ons die ons klein maakt en die elke behoefte aan macht moeiteloos weerlegt. Maar dat is, juist omdat het over “deemoed” gaat, geen onderwerp voor felle disputen of nadrukkelijke betogen die op een triomfantelijk bevochten gelijk uit zijn. Deemoed is evenmin geïnteresseerd in gelijk als in macht. Dat zijn dan ook niet de zaken waar het uiteindelijk om gaat.’ Aldus Verhoeven.

 

 

Weemoed

Doorgaans hebben grootouders hun voorraad verliefdheidshormonen aardig opgesoupeerd. De meeste vlinders hebben de buik verlaten. Het hoofd slaat minder gauw op hol. Grootouders hebben hun dromen nagejaagd, hun avontuurtjes gehad en het leven heeft zo zijn impressies, deuken en krassen achtergelaten.

Hun gemoedsaandoeningen zijn minder heftig. Grootouders zijn doorgaans minder expliciet en minder activistisch dan voorheen. Voor het eerst – en soms tot eigen verbazing – gaat men zich thuis voelen in de vlakkere wereld van tevredenheid en berusting. Maar wel met een diffuus ‘verlangen naar de diepgang, de donkere kleur en de warme tonen’ van het vermeende verleden, aldus Verhoeven. In toenemende mate wendt het verlangen zich af van de toekomst. Meer en meer richt het zich op de goede oude tijd van de jeugd en de lang vervlogen onbevangenheid. De hoop om ooit nog iets totaal nieuws te ervaren, wordt getemperd door het gevoel opgesloten te raken in de fataliteit van het leven. Soms wordt het gemoed bezwaard met twijfel of het leven niet tevergeefs is.

Ongemerkt voegt weemoed zich bij de grondtoon van het leven. Het is deze milde en diffuse gemoedstoestand – een mengeling van verdriet, troost en hoop – waarin het pasgeboren kleinkind als een bevrijdend wonder kan worden begroet, als een onweerlegbare beaming van het leven.
De oude mens wordt geraakt door vormen van nataliteit – door de geboorte van iets volslagen nieuws. Het is deze nataliteit die onweerstaanbaar doorklinkt in het appel van het kleine kind.
Ondanks het nuchtere feit van genetische verwantschap is de pasgeborene volslagen nieuw en onherleidbaar – een singulariteit. Dat laatste beamen we dikwijls met de constatering dat het kind ‘zo eigen’ is.

Eveneens onweerstaanbaar zijn de onbevangen mogelijkheden zoals die zo vaak tot uiting komen in het spel van kleine kinderen. Met hun verbeeldingskracht scheppen zij vanuit het niets hun eigen kosmos, een ongekende, eigen wereld. Grootouders worden vertederd door kleine kinderen, door hun onbevangen zin in het leven en hun ongecultiveerde geloof in het ondenkbare.

Een betoverend moment in het leven van een volwassene is wanneer zijn kind of kleinkind voor het eerst tegen hem glimlacht. Volgens Verhoeven maakt het zien van die glimlach ‘ons tot dilettant. Wie er getuige van is, weet ineens niet meer zo precies waar de kindertjes vandaan komen en of het allemaal wel zo gewoon is wat er gebeurt. […] Er komt een bemoedigende wijsheid naar ons toe uit een andere, nog niet zo vermoeide, maar dan ook niet zo actieve wereld, te dichtbij om zonder schok bereikbaar te zijn. Er gaat een rimpeling door een oppervlak dat nooit meer tot rust zal komen.’
 

 

Opa op afstand

Enkele jaren na de Tweede Wereldoorlog is de oudste zus van mijn vader geëmigreerd naar Kaapstad in Zuid-Afrika. Sindsdien was de briefpost jarenlang de enige manier om contact te onderhouden met de familie in Nederland. Eind jaren vijftig vond het eerste telefonische contact plaats, en vanwege de hoge kosten werd dit aanvankelijk slechts eens per jaar herhaald. Destijds bestond ook de mogelijkheid voor overzeese emigranten om een bericht in te spreken bij de Wereldomroep. Ik herinner me nog die ene keer dat we aan de radio gekluisterd zaten.

Pas in 1963, toen haar man al was overleden, keerde mijn tante voor het eerst voor een verblijf van enkele weken terug naar Nederland.
Tante Mies was een schat van een tante, humoristisch en ze sprak Afrikaans: ‘Jij moet nie an die touw peuter nie’ en ‘hou die blink zij bo’. Rond 1965 stuurde mijn vader voor het eerst een bandrecordertape naar zijn verre zus, met groeten en wensen, kleine anekdoten en door gezinsleden gespeelde muziek. Vanaf de jaren zeventig is ze vaker naar Nederland gekomen.

 

Tegenwoordig doen we dit heel anders. De meeste ervaringen met mijn kleindochter spelen zich online af. In levende lijve heb ik haar twee kleine perioden meegemaakt – die eerste keer enkele weken na haar geboorte in New York en vervolgens nog een keer rond de Kerst toen mijn zoon met vrouw en kind bij ons thuis verbleef. Beide keren waren heel bijzonder.

Het hoeft geen betoog dat live contact van een andere orde is dan online contact. Dat neemt niet weg dat ik heel blij ben met de moderne digitale hulpmiddelen.

 

Gelukkig steken mijn zoon en zijn vrouw er veel energie in om ons middels media te betrekken bij hun leven en de ontwikkeling van ons kleinkind. Daar geniet ik van. Het blijkt dat ik ook online weer een beetje kind kan worden: ik slaak hoge kreten uit, zing kinderliedjes en trek gekke gezichten. Alles om haar aandacht te trekken.

Vlak voor de corona-crisis is het gezinnetje verhuisd naar een appartement in de buurt van Chicago – gelukkig heel wat ruimer dan de woonruimte die ze op Manhattan hadden. Sinds de virusuitbraak en de statelijke lock down leiden ze noodgedwongen een tamelijk geïsoleerd leven met zijn drieën in een vrijwel onbekende omgeving. Behoefte aan contact is duidelijk wederzijds.

 

 

Sommige foto’s en filmpjes van Lisa koester ik als een kleinood. Het is vertederend om te zien hoe ze ‘kiekeboe’ speelt en haar ouders imiteert met het lezen van een boekje. Zoals vermoedelijk elke grootouder zal benadrukken, is het eigen kleinkind gewoon het mooist.

Vroeger zag ik dergelijke foto’s en filmpjes van andermans kleinkinderen. En ach, zoiets was – en is nog steeds – best leuk. Ik moet bekennen dat het zien van Lisa me veel meer raakt dan het aanschouwen van een ander kind van haar leeftijd. Reden genoeg voor mij om anderen niet met mijn kleinoden te vermoeien en ze zoveel mogelijk voor eigen gebruik te reserveren.

Zou dit kwalitatieve verschil in emotie bij het aanschouwen van eigen en andermans kleinkind toch niet duiden op een vorm van verliefdheid? Ik aarzel. Ik sluit niet uit dat hier sprake is van een soort plaatsvervangende verliefdheid: Lisa is het kind is van mijn eigen zoon.

Hoe dan ook, zelfs digitaal heeft Lisa kennelijk iets unieks – iets waardoor ik geraakt word en vertederd. Ik heb de indruk dat deze gevoelens momenteel zo’n beetje de essentie uitmaken van mijn opa-schap. Het voelt nu anders dan in het begin, vlak na haar geboorte. Zoals aangegeven, voelde ik me toen ik me onthand en gefrustreerd. Het stoorde me dat de fysieke aanraking, de geur en de smaak ontbraken. En hoewel er veel voor valt te zeggen dat deze een essentieel onderdeel uitmaken van het contact, vermoed ik dat het vooral mijn eigen verwachtingen waren die mij parten speelden – verwachtingen die ik koesterde op grond van verhalen van grootouders in mijn omgeving. De tijd is er overheen gegaan en hebben die verwachtingen mij goeddeels los gelaten. Kennelijk is opa-schap wat ik er zelf in zoek en wat ik er zelf van maak.
 


 

[1] Recentelijk (september 2020) heeft mijn zoon aangegeven dat Lisa destijds al gefascineerd was door gezichten, schermen en dynamiek.
Zo is het opvallend hoe ze op zo vroege leeftijd – nauwelijks 1 jaar oud – hartstochtelijk gebarend de ingelijste foto’s van familieleden aan de muur bekijkt.

[2] Kenners van de klassieke oudheid zullen wellicht tegenwerpen dat er in de Griekse wijsgerige scholen ook andere opvattingen leefden omtrent geluk. Neem Epicurus die soms ook wel de ‘vader van het hedonisme’ wordt genoemd, omdat hij met betrekking tot geluk de nadruk legde op hèdonè – genot, lust. Dat hierbij sprake is van een misverstand, kan Epicurus ons zelf het beste uitleggen. ‘Ik bedoel een fysieke staat zonder pijn, en een geestelijke staat van gemoedsrust. Een gelukkig leven bereik je niet met drinkgelagen en geregelde festijnen, noch door de genotvolle omgang met jongens en vrouwen, of het eten van vissen of andere gerechten uit de verfijnde keuken, maar door nuchter nadenken, dat enerzijds de diepten peilt en daarmee verheldert wat je moet kiezen of vermijden, en dat anderzijds de ongefundeerde meningen uitbant die voor de grootste onrust in onze geest zorgen. De basis van dit alles, en het grootste goed, is verstandigheid.’

[3] Newton was een zeer gelovig christen, naarstig op zoek naar het occulte, maar tegelijkertijd deemoedig doordrongen van de ontoereikendheid van het menselijk denkvermogen. Newton vergeleek een natuurwetenschapper met ‘een kind op het strand die zich verheugt wanneer hij een mooie schelp vindt, terwijl de grote, onbekende oceaan van waarheid voor hem ligt’. Zelf had hij niet veel op met een louter mechanisch wereldbeeld. In het derde deel van zijn Philosophiae Naturalis Principia Mathematica geeft hij aan dat ‘dit prachtige systeem van zon, planeten en kometen slechts voortgekomen kan zijn uit de wijsheid en de heerschappij van een intelligent Wezen’, een ‘Universele Heerser’.

[4] Terecht zal iemand tegenwerpen dat het concept ‘pursuit of happiness’ niet afkomstig is van Thomas Hobbes, maar van John Locke. Dat klopt inderdaad Thomas Jefferson heeft een eeuw later Locke’s uitdrukking overgenomen in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring. Maar dat Locke geluk met genot vereenzelvigde is een misvatting. Locke heeft zich in zijn opvatting over geluk nadrukkelijk laten inspireren door Aristoteles en Epicurus en ook door christelijke denkers. Zo onderscheidde Locke ‘schijngeluk’ (imaginary happiness) en ‘waarachtig geluk’ (true and solid happiness). Dit laatste betreft een ‘eeuwig durend geluk’ dat ons op christelijke gronden is voorspeld met het oog op het leven na de dood. Dit waarachtige geluk vormde voor Locke de basis van de menselijke vrijheid, en juist niet de korte termijn pleziertjes en onmiddellijke behoeftebevrediging. Waarachtig geluk vereist terughoudendheid en rationele overwegingen, opdat we in ons gedrag vooral onze lange termijn belangen voor ogen houden.