>> Terug <<

>> Home <<

 

 

 

5 april 2020

 

De omweg van het woord

De wereld ligt een beetje ondersteboven. De flitsende en spraakmakende bovenwereld die we jarenlang, mede dankzij de toewijding van talloze onopvallende mensen in de onderwereld, in stand konden houden, ligt op zijn gat. In die activistische bovenwereld zijn we voorlopig de weg kwijt. De uit het niets opgedoken ‘zwarte zwaan’ heeft in ons denken veel vanzelfsprekendheden en automatismen uit handen geslagen. Hoe moet het nu verder in de bovenwereld? Hoe houden we de economie draaiende en wat zijn de langere termijn gevolgen voor ons dagelijks leven? Om deze en andere vragen te beantwoorden, biedt het ‘normale’ denken van enkele weken geleden nauwelijks nog houvast.

 

Het is geen wonder dat we pardoes zijn gaan kijken onder de motorkap van de bovenwereld. Hier bevindt zich de machine die tot voor kort op in de turbostand draaide, maar die nu stokt. Ineens zijn alle kijkers gericht op die verborgen onderwereld die plotseling fundamenteel blijkt te zijn voor de samenleving, ja zelfs ‘vitaal’. Het lijkt alsof er voor het eerst een vergrootglas wordt gelegd op datgene wat zich in deze kelders van het turbokapitalisme afspeelt. Je moet er dan ook niet van opkijken dat we plotseling tot inzichten komen waar we lange tijd niet bij stil hebben gestaan – crisisinzichten.

 

Plots zijn er ook ineens allerlei zieners en orakels – schrijvers die met hun analysen op de proppen komen. Het ene artikel is nog onthullender dan het andere. Niet dat zij plotseling zijn gaan schrijven – ook niet dat zij plotseling zoveel anders zijn gaan schrijven. Nee, we hebben feitelijk nooit oog gehad en rustig de tijd genomen voor hun boodschap. Deze schrijvens hebben ondanks henzelf ineens de rol van ziener of orakel opgedrongen gekregen. Ik vermoed dat menige schrijver van naam zou gruwen bij de gedachte dat hij op gelijke voet wordt gesteld met de Pythia van Delphi. Maar het is niet anders – in bange tijden hebben we nu eenmaal ook helden van de geest nodig die ons leuningen aanreiken.

 

Bij tijd en wijle raadpleeg ik zelf ook een orakel. Meestal is het een filosoof. Soms ook iemand die de liefde voor het woord uitstraalt – een filoloog, en wel in de oorspronkelijke betekenis van het woord: ‘liefhebber van de rede(voering)’.

 

In de geschriften van Cornelis Verhoeven kom ik beide aspecten tegen – de liefde voor de wijsheid en de liefde voor het woord. In zijn essays toont hij zich dikwijls een meester van de behoedzaamheid, de voorlopigheid en de fijnzinnigheid. ‘Er is geen ding zo klein of er is oneindig veel over te denken, denken dan in de zin van belangeloos en onkritisch mijmeren, peinzen, mediteren. Zodra immers het ding door dit denken wordt aangeraakt, groeit het uit tot een wereld, een samenvatting van oneindig veel mogelijkheden en betekenissen’, aldus Verhoeven in De Symboliek van de Sluier (1961).

 

De wijze waarop hij met woorden het ding aftast en van zijn vanzelfsprekendheid ontdoet, zodat er dikwijls een woordeloze essentie overblijft, maakt niet alleen het lezen van zijn werk tot een feest, het ontkracht tevens op fluweelzachte wijze elke poging om doelgericht met woorden op de dingen af te stormen, te grijpen en aldus geweld aan te doen.

 

In dit corona-dagboek wil ik zo nu en dan een klein essay, een pagina of een citaat uit Verhoevens werk tonen. Met deze citaten beoog ik niet veel meer dan het creëren van kleine rustpunten te midden van mijn eigen verbale geraas. Verhoevens woorden werken temperend op elke vorm van eigenmachtigheid, zo is mijn ervaring.

 

 

 

Om te beginnen een kleine overweging uit 1980, getiteld De Omweg van het Woord.

 

Het gebeurt mij minstens één keer per jaar dat ik door alles heen zak. Met 'alles' bedoel ik, als vlijtige verbalist, op de eerste plaats de wereld van woorden die als een enorm oerwoud woekert op een bodem, waarvan op dat moment niet meer zo duidelijk is, of het de wereld is of ook al een substraat van woorden. Want het ene woord roept het andere op, leunt ertegen aan en sluit er een verbond mee. Steun vindend bij elkaar wekken zij de suggestie van een doortimmerde werkelijkheid, die op zichzelf kan bestaan. Wat zo ernstig en herhaaldelijk gezegd wordt, krijgt de dichtheid van een ding.

 

 

Als het woord ‘welzijn’, om maar een willekeurig voorbeeld te noemen, serieus wordt uitgesproken en met enig vertoon van nobele bekommerdheid geplaatst wordt tegenover ‘welvaart’, neemt het weldra dezelfde vlezigheid aan e zijn wij geneigd te denken dat welzijn iets is of dat het door onze inspanningen gerealiseerd kan worden. Maar intussen is alleen duidelijk gebleken dat erover gepraat en vergaderd kan worden, niet dat het buiten taal en vergaderzaal een eigen bestaan heeft en object van zinvolle inspanning kan zijn. En zo is dat met veel andere woorden, het meest met de duurste, de dikste, de nobelste.

 

 

Blijkbaar is er toch een grens waarboven woorden, hoe dik ook, zoveel aan soortelijk gewicht verliezen, dat ze niet meer kunnen afdalen naar een realiteit waaraan hun betekenis nog gecontroleerd zou kunnen worden. Zij houden dan ergens hoog in de lucht elkaar in stand en vormen een verbaal heelal dat met de werkelijkheid concurreert of zelfs: zij zuigen alle andere woorden naar hun eigen vacuüm totdat dit samenvalt met de wereld. De periodieke instorting van die wereld is iets heel anders dan een plotselinge aanval van skepsis, vitaler en meer elementair. Zij veroorzaakt eerder een vrolijke dan een sombere stemming. Zíj heeft dan ook meer te maken met het voorjaar dan met de herfst, meer met Pasen dan met Allerzielen. Onder een korst van nietszeggende woorden en vanzelfsprekend geworden dingen vandaan breekt een elementaire werkelijkheid door. Over die werkelijkheid spreken soms dichters en filosofen. Maar zij hebben het in de loop van de eeuwen al zo dikwijls gedaan, dat herhaling van hun woorden een bijdrage lijkt aan het woekerend verbalisme. Er zijn steeds nieuwe woorden nodig om oude ervaringen uit te spreken. En juist bij het uitspreken van elementaire ervaringen dreigt de kitsch. Hierdoor worden zij onuitsprekelijk.

 

 

De onuitsprekelijkheid van zaken die onze verwondering wekken, is niet een gevolg van een tekort aan woorden, maar van een teveel. Onuitsprekelijk is niet wat nieuw is, maar wat verstikt wordt onder een herhaling van woorden uit het verleden. De taal zelf is een barrière, het cliché een obstakel. De meest elementaire dingen worden onuitspreekbaar, omdat zij ondergesneeuwd zijn, ingepakt in een laag van gemakkelijk te herhalen woorden die alleen nog verwijzen naar een vroeger gebruik van diezelfde woorden. Juist wat zo goed gezegd is, dat het definitief onder woorden gebracht lijkt te zijn, leent zich alleen nog voor een rituele herhaling waarin geen lente meer kan doorbreken. Spreken wordt citeren, verwijzen naar nummers in een magazijn. ‘Wij betreuren dit ten zeerste’, ‘wij zijn diep geschokt’, ‘dit is voor ons een bron van grote verheugenis’, zegt de woordvoerder, maar er is niemand meer die bij zulke verklaringen nog aan verdriet of vreugde kan denken. Er wordt alleen verwezen naar een bepaald register van het gangbare spraakgebruik.

 

 

Om de kitsch te vermijden worden we bijna gedwongen over elementaire ervaringen te zwijgen of erover te spreken in een taal waarin van elke verwijzing naar buiten of naar binnen wordt af gezien. Poëzie moet wel tot een autonome kunst worden. Als er nog een dichter is die over de lente schrijft, moet hij wel schrijven over de poëzie over de lente en over dichters die over de lente dichten. Zijn creativiteit wordt een omweg op gestuurd waarvan nog nooit iemand is teruggekeerd. Als een aap klimt hij in de papieren bomen van een overbodig oerwoud. Dit gebeurt uit naam van een raffinement dat gebouwd is uit de scherven van veel mislukkingen en verworpen sentiment. Elke argeloze directheid is gedoemd tot kitsch te leiden.

 

 

Het taboe op de elementaire dingen is bijna tot een vanzelfsprekendheid geworden. Uit vrees voor het sentiment wordt hun bestaan genegeerd, zodat ze zich moeten verschuilen in de tamelijk obscure hoek van het amusement. Verpakt tussen grollen, pikanterie en stuntwerk mag daar ook nog de lente, de moederliefde en het verdriet ter sprake komen. Daarbuiten wordt eindeloos verder geknutseld aan een heelal van woorden over woorden, gestolde lava rond een vulkaan die toch ooit gewerkt moet hebben.

 

 

Zelfs het activisme, erfgenaam van een aloude, grimmige daadkracht, heeft zijn eigen verbalisme ontwikkeld, het meest misleidende dat zich maar laat denken. Weinig uitdrukkingen zijn zo intens verbalistisch als de duizendmaal herhaalde stelling, dat het niet om woorden, maar om daden gaat en dat er eindelijk eens iets moet gebeuren. Er zijn tientallen woorden in omloop gekomen die met een zekere wilskrachtigheid worden gehanteerd, maar die uitsluitend betrekking hebben op daden en gebeurtenissen die nooit hebben plaats gevonden en ver boven ons vermogen liggen: de maatschappij veranderen, revolutie, progressief beleid, bewust maken en zelfs: opvoeden. Is er ooit iemand opgevoed? De zogenaamde mensen van de daad zijn de grootste verbalisten geworden. Voor hen zijn woorden niet alleen het middel om carrière te maken, maar ook om de illusie in stand te houden dat de wereld volkomen hanteerbaar is, even hanteerbaar als de taal. Door woorden te herkauwen scheppen zij zich het bevredigende gevoel hun tanden te zetten in de werkelijkheid.

 

 

Het is een elementair genot en een klein wonder deze wereld te zien instorten, geruisloos als nat geworden karton, naar buiten te kunnen kijken zonder een mist van woorden voor de ogen, een merel te horen zingen zonder aan muziek of poëzie te denken, oude dingen nieuw te zien zonder een revolutionaire ingreep en zonder begeleidend commentaar. De taal is een omweg naar de sprakeloosheid. Als er echt iets gebeurt, hebben wij niets te zeggen.