>> Terug <<

>> Home <<

 

 

 

28 maart 2020

 

Nieuwe helden 

 

Sinds het coronavirus alle aandacht opeist, is er op sportgebied weinig meer te beleven. Ook op televisie. Het schaatsseizoen is nog op normale wijze afgerond. Maar daarna viel de sportwereld stil. Aan het eind van de 78e editie van Parijs-Nice stapten de wielrenners van de fiets. De slotrit rond Nice werd afgelast. Sinds 15 maart zijn de omlopen en meerdaagse wedstrijden in de aanloop naar de Italiaanse Giro afgelast. Ondertussen is ook de Giro die op 9 mei van start zou gaan, afgelast.

Sinds de Australian Open is de Grandslamtour eveneens tot stilstand gekomen, inclusief alle satelliettoernooien. En het is maar de vraag of Roland Garros en Wimbledon dit jaar doorgaan.

Van de voetballers hadden we elk weekend weer spektakel verwacht in de voetbalarena’s. Wat zou het vervolg zijn van het grillige competitieverloop van de Eredivisie? En de Champions League – naar welke sportieve en financiële climax zou dit populaire massaspektakel toegroeien. We zullen het voorlopig niet weten.

 

En wat te denken van onze Olympische helden? Zij hebben zich geruime tijd mentaal en fysiek voorbereid op Tokyo, veelal full time, in afzondering en op basis van de nieuwste technisch-wetenschappelijk inzichten. Je zal in deze tijd maar een springpaard zijn. Dan moet je constateren dat alle trainingsuren, zenuwslopende arbeid, krachtvoer en schouderklopjes voor niets zijn geweest. Wat een deceptie! Maar gelukkig, van deze edele dieren geen gezeur op televisie over grote investeringen, overwonnen blessureleed en ‘ik was net zo lekker in vorm, ik lag op medaillekoers’. Je zult van zo’n paard geen klacht horen. Over helden gesproken.

 

Ooit is het idee ontstaan dat het leven zijn vervolmaking kent. In Griekse heldenverhalen kunnen we lezen over van Achilles, Heracles, Ajax en Odysseus – helden die begunstigd waren begunstigd door de Olympische goden. Helden als een voorbeeld voor de overige stervelingen. Sindsdien doen velen van ons hun best om gezond en atletisch te blijven.

Maar nu er op de Olympus geen goden meer resideren, moeten we de helden onder de mensen zelf zoeken. In onze moderne, humanistische beschaving kennen we het heldendom overwegend alleen nog maar als een vorm van eigentijdse lichamelijke vervolmaking. We vinden het terug in de atletische gestalte van sporthelden en in de glamour van filmhelden.

In hen kunnen we onszelf een beetje spiegelen – ‘in die mannen en vrouwen die we in het Olympisch stadion bejubelen alsof ze onsterfelijke goden zijn. In ons massaal applaus krijgen we de kans om in een sfeer van heerlijkheid en schoonheid de hemelse idolen op aarde nabij te zijn alsof ze als een genade voor ons van de Olympus zijn afgedaald. […] Iets van hun grensverleggende inspanning en prestatie straalt op ons af.’ Aldus Jacques de Visscher in Toewijding (2011)

 

Voor klassieke Griekse mensen vormden goden, halfgoden en helden ‘het spiegelbeeld van de optimaal uitgevallen exemplaren van hun eigen kaste, dus een ideaal, geen tegenovergestelde van hun eigen natuur. Men voelt zich met elkaar verwant, er bestaat een wederkerig belang, een soort bondgenootschap. De mens denkt voornaam over zichzelf als hij zich zulke goden schenkt en plaatst zich in een verhouding als die van de lagere adel tot de hogere.’ Aldus Friedrich Nietzsche in Menschliches, Allzumenschliches (1878).

 

Nietzsche tekent hierbij aan dat de Griekse held zeer edele karaktertrekken had, maar tegelijkertijd ook onderhevig was aan tragiek, wreedheid en wraakzucht. In de Ilias van Homeros zien we dit bijvoorbeeld terug bij de ‘snelvoetige’ Griekse held Achilles – de ‘dapperste, schoonste, sterkste en verhevenste’ van alle helden. Hij liet zich primair leiden door zijn hartstochten. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld Odysseus die vooral bedachtzaam, vindingrijk en listig was.

Nadat Achilles zijn geduchte tegenstander Hektor – de ‘mannen-dodende held’ der Trojanen – had verslagen, bereidde hij zijn opponent een ‘schandelijke schennis’. Hektor had immers Achilles’ boezemvriend Patroklos gedood. Achilles ging hierbij niet zachtzinnig te werk. Eerst ontdeed hij Hektors ontzielde lichaam van zijn bebloede uitrusting en wapens. Daarna liet hij elk van zijn manschappen het lijk nogmaals een wond toebrengen. Vervolgens sneed hij Hektor ‘de hielpezen door, bond die met leren riemen bijeen, waarna hij hem aan zijn strijdwagen vastmaakte, zodat het hoofd van de dode door het stof sleurde’.  Gedurende drie dagen sleepte hij drie keer per dag het lijk achter zijn strijdwagen aan. Ten slotte wilde hij het lijk achterlaten als voedsel voor honden en gieren – een teken van de diepste, publieke vernedering. De goden hebben dit evenwel verhinderd en ervoor gezorgd dat de Trojanen Hektors stoffelijk overschot voor een hoge losprijs konden terugkopen.

Kortom, klassieke helden hadden een ‘killersinstinct’, ze waren niet vies van een potje natrappen, ze hadden een groot ego, en net als hedendaagse voetballers waren ze ook nog eens behoorlijk kapitaalkrachtig.
 


Achilles, zonder baard, valt gewonde Hektor aan. Afbeelding op een Griekse wijnkruik, ca. 490–460 v Chr. Bron: Oxford University Press
 

International Arjan Robben. Bron: nu.nl

Beide helden – Achilles en Hektor – stonden bekend om hun ‘schoonheid en grote en heerlijke gestalte. Hektor was de edele en onverschrokken zoon van de Trojaanse koning Priamos. Koningszoon Achilles was als baby door zijn moeder, de nimf Thetis, ondergedompeld in de rivier de Styx. Naar verluidt, was hij hierdoor onkwetsbaar geworden. Slechts zijn hiel, waaraan Thetis hem tijdens de onderdompeling had vastgehouden, was kwetsbaar.

Met hun bovenmenselijke kracht en energie konden dergelijke helden een heel leger inspireren. Alleen al hun aanwezigheid in de strijd was dikwijls doorslaggevend. Na Hektors dood waren de Grieken aan de winnende hand. En Achilles had de stadspoorten van Troje al bijna geforceerd, als niet Paris, de broer van Hektor, hem met een giftige pijl in zijn hiel had getroffen. Aan de verwonding van zijn kwetsbare Achilleshiel stierf de grote Griekse held.

 

Na de dood van Achilles bleef de strijd om Troje nog lange tijd onbeslist. Niet het wapengekletter, maar een sluwe list zorgde voor de uiteindelijke beslissing. De Grieken deden alsof ze de strijd hadden opgegeven en ze trokken zich terug. De schepen werden opgetuigd en vertrokken, maar gingen verderop, buiten het zicht voor anker. De Grieken hadden een groot houten paard op wielen achtergelaten op het strand van Troje als een geschenk van de godin Pallas Athena. In het paard hadden zich Griekse strijders verstopt.

De Trojanen werden met dit overwinningsgeschenk bedrogen. Ze rolden het houten paard de stad binnen, vierden de overwinning en werden massaal dronken van blijdschap. Op dat moment hebben de verstopte strijders de stadspoorten geopend en hun medestrijders op de schepen een seintje gegeven. Troje werd ingenomen en de Trojanen werden afgeslacht. List, bedrog, ruzie, wraakzucht – het al te menselijke karakter van de Griekse goden en helden wordt breed uitgemeten in de Griekse mythologie.


Paard van Troje, vaas, Mycene, ca 670 v Chr. Bron: Wikipedia

 

Zoals gezegd, lijken de Griekse helden in veel opzichten op onze hedendaagse sporthelden. De klassieke verhalen en de antieke standbeelden tonen veel gelijkenis met de moderne, slow motion televisiebeelden: de rechtopstaande held met een atletisch lichaam, een opgeheven hoofd en met een gewapende of gebalde vuist. De held wordt vrijwel altijd rechtopstaand afgebeeld; het atletische lichaam is verticaal gepositioneerd. In horizontale positie ben je geen held. Een tegenstander in zijn slaap verrassen – daar zou elke zichzelf respecterende klassieke held zijn neus voor ophalen. Wanneer een voetballer kermend van de pijn op het veld ligt, wordt de strijd onmiddellijk gestaakt.

 

Er zijn echter ook grote verschillen tussen beide vormen van heldendom. De moderne held is volledig geconcentreerd en toegewijd aan vrijblijvendheid, aan vormen van spel – voetbalspel, Olympische spelen of speelfilms. De moderne held is er vooral voor het volksvermaak.

Voor de Griekse held was het daarentegen een zaak van leven of dood. De ultieme bekroning van een heldenleven was de heldhaftige dood. Sportlieden en filmacteurs kiezen daarentegen liever voor gladiolen.

 

Zoals gezegd, kon de Griekse held slechts kan bestaan dankzij de begunstiging der goden. Homeros geeft veelvuldig aan dat heldendaden vanaf de Olympus zijn voorbeschikt of beïnvloed. Het verloop van de strijd om Troje lag in de handen van de goden. Zo kunnen we lezen dat de richting van de giftige pijl van Paris door de god Apollo was bepaald. Deze ‘natuurlijke’ inmenging van de goden was een van de redenen waarom veelvuldig orakels en zieners werden geraadpleegd. Het verhaal gaat dat Achilles zijn vroegtijdige dood reeds voorspeld was.

 

Waar klassieke helden zich nog moesten schikken naar het lot en de wil der goden, doet de moderne mens zijn heldenwerk zonder enige transcendente inmenging. De moderne helden stellen eigenmachtig hun lichaam en gezondheid in de waagschaal. Als wederdienst voor hun schier bovenmenselijke prestaties ontvangen ze media-aandacht, publieke lof en niet te vergeten prijzengeld. En, zo stelt De Visscher, ‘natuurlijk missen we in de sportuitzendingen de pedagogische voorbeeldfunctie van die sportlui niet: ze leveren – op karakter – inspanningen die (on)behoorlijk veel pijn doen, maar die ze heroïsch verbijten tot ieders bewondering – het ‘lijden’ van de sportman is het enige lijden dat zinvol lijkt.’

 

Daarnaast vervullen onze sporthelden nog een andere functie in onze geseculariseerde wereld. Geseculariseerd of niet, we hebben onverminderd een behoefte aan goden, halfgoden en helden – aan wezens die het sterfelijke lot kunnen transcenderen. Ook in de moderne tijd hechten we aan het ideaal van de vervolmaking van het leven. In de moderne tijd zijn we geobsedeerd door mogelijkheden om het leven te verlengen en dood uit te stellen. Spraakmakende futuristen zoals Robert Ettinger en Ray Kurzweil betogen dat we met alle technologische en medische vooruitgang het ideaal van het volmaakte leven zullen realiseren. De Visscher spreekt van een ‘vaste overtuiging dat aan onze humanistische beschaving van de maakbare mooie mens, waarvan sportlieden het zinnebeeld zijn, geen einde zal komen. Onze beschaving staat daarin model voor de andere beschavingen en blijft het voorbeeld voor alle zich emanciperende volkeren die naar onze stadions atletische afgevaardigden sturen.’

 


Standbeeld van Achilles op Korfu
 

International Robin van Persie ziet toe hoe zijn kopbal in het Spaanse doel belandt. De gelijkmaker tegen Spanje is een feit. Bij uitzondering een ‘horizontale’ heldenpose. Bron: VI Images
 

Op dit moment zijn er helaas maar weinig opgeheven vuisten, kermend neerstortende voetbalhelden en schreeuwende menigten op het beeldscherm. We moeten het doen met herhalingen van legendarische wedstrijden, zoals de groepsfasewedstrijd Spanje-Nederland op het WK van 2014 in Brazilië. Gisteren was er weer eens zo’n herhaling. Een stukje ervan heb ik gekeken; ik wilde per se dat doelpunt zien van Robin van Persie. Vanuit een snoekduik scoorde hij de gelijkmaker op slag van rust. Wat een timing!

Toch kan het me niet echt imponeren. Het voelt meer een wedstrijdje ter afleiding, ter overbrugging. Het is net alsof het niet meer zo belangrijk is,  dat atletische heldendom en die hoge verwachtingen ten aanzien het volmaakte leven.

 

De huidige coronacrisis zet veel gewoonten en vanzelfsprekendheden op losse schroeven. Ineens hebben we nieuwe helden: zorghelden. Enkele dagen geleden was er een publieke steunbetuiging aan de werkers in de ‘vitale beroepen’. Ook ik heb buiten staan klappen voor hen, samen met mijn echtgenote. Een raar idee. En ook een vreemde ervaring – we waren de enige in de straat; ik stond maar een beetje voor me uit te staren. Wat was ik in vredesnaam aan het doen?

 

Ook zonder corona is het werken in de zorg geen sinecure. Noodgedwongen wordt veel tijd besteed aan het volgen van rationele procedures. Kwaliteitszorg drukt een fors stempel op het werk met als logische gevolgen allerhande registratie en een onvermijdelijke nadruk op verantwoording afleggen ten gunste van verantwoordelijkheid nemen (voor het onderscheid: zie bijvoorbeeld hier). Voor contact met patiënten blijft vaak niet zoveel tijd over. De werkdruk is hoog en het salaris laat te wensen over. Godzijdank bestaat er nog steeds een intrinsieke motivatie voor mensen om in de zorg te gaan werken. Het zal ongetwijfeld iets te maken hebben met toewijding, zorgzaamheid en menselijk contact.

De publieke waardering voor schoonmakers is nog aanzienlijk lager. Het gaat om ongeschoolde en slecht betaalde arbeid. Schoonmaken wordt noodzakelijk geacht, maar tegelijkertijd is het een bijzaak, een noodzakelijk kwaad. In de loop der jaren is er dan ook veel op bezuinigd. De belangrijkste raadvoorwaarden zijn zo langzamerhand een gebrek aan geld en tijd. In plaats van de boel nu eens even lekker schoonmaken gaat het om een efficiënt bedrijfsmatig en rationeel routineus werk. Bij voorkeur alleen het hoogst noodzakelijke: ‘tippend schoonmaken’ – alleen daar schoonmaken waar het zichtbaar vuil is.

 

Politie, brandweer, vuilnisophaal- en reinigingsdiensten, transport, onderwijs – het is allemaal heel vitaal, maar beslist geen vetpot. Wil je goed verdienen, vertrek dan uit de publieke sector en neem een niet-vitaal beroep. Bij maatschappelijke helden stel ik me gewoonlijk een snelle grootverdiener voor op de Amsterdamse Zuidas die na een werkdag van 10 uur en een uurtje fileleed om negen uur ’s avonds met zijn Audi of Mercedes de oprijlaan van zijn villa oprijdt.

 

De bovenwereld van hemelbestormers – van het vrije ondernemerschap, de marktwerking en het grootkapitaal, van economen en politici, van verslaving aan de consumptie en helden van het amusement – noemen we in ‘normale’ tijden vitaal. In goede tijden bewijzen we deze vitaliteit in beurscijfers en - indexen.

Maar nu ineens is de wereld omgekeerd. Nu ineens reserveren we het predicaat vitaal voor de onderwereld van de mondjesmaat – de wereld van zorg, onderwijs, handhaving, transport en schoonmaak. In slechte tijden bewijzen we haar vitaliteit in de grafieken van het aantal besmettingen, het aantal bezette IC-bedden en het aantal corona-doden.

Nu de nood aan de man is, worden de verborgen werkers op een voetstuk geplaatst. De mensen die doorgaans onopvallend hun werk doen, zijn ineens ‘onze zorghelden’. Het is even wennen. En voor henzelf zal de status van held ook wennen zijn.

Kennelijk is het een menselijke behoefte om in bange dagen plotseling heel andere mensen te vereren. In oorlog zijn het onze soldaten, bij hongersnood zijn het de boeren en bij een pandemie zijn het de werkenden in de zorg.

 

Toen ik daar schaapachtig in mijn straat stond te klappen voor weet-ik-wie, kwamen er allerlei vragen in me op. Wiens behoefte is het om hier ceremonieel te staan klappen? Geven we de verzorgenden met dit applaus wel een gepaste waardering? Betekent deze waardering dat  de maatschappelijke verhoudingen tussen vitaal en niet-vitaal nu werkelijk worden bijgesteld? Past de rol van held wel bij de aard van het werken in de zorg? Langzamerhand kreeg ik het gevoel dat ik daar al klappend in mijn hemd stond.

Ik vrees dat het antwoord op deze vragen negatief luidt. Ik klapte omdat de georganiseerde publieke steunbetuiging mij bij toeval een mogelijkheid bood om mijn eigen onmacht te bezweren. Met mijn applaus maakte ik me er gemakkelijk vanaf. Reken maar niet dat deze helden er uiteindelijk veel meer door gaan verdienen. Ik ben ook bang dat ik met mijn applaus nou juist de bestaande neoliberale verhoudingen bevestigde. Gerede kans dat wij straks, wanneer alles weer ‘normaal’ is, er met zijn allen weer stevig tegenaan gaan. Met dank aan onze zorghelden.

De werkers in de zorg doen dit al sinds jaar en dag onder lastige omstandigheden. Met weinig waardering pogen zij in het dagelijks leven het fundament in stand te houden voor een samenleving waarin we naar hartenlust, zonder terughoudendheid bouwwerken tot in de hemel oprichten. Hebben we ooit in ‘normale’ tijden voor hen geklapt?

Kortom, voor wie stond ik dus op die onzalige avond te klappen? Voor diezelfde mensen die onder nog lastiger omstandigheden nog steeds pogen dit fundament tegen instorten te behoeden. En als het hen dan nog lukt ook – ja, dan is dat zeker wel een applausje waard.

 

Ook het antwoord op de laatste vraag moet negatief zijn. De rol van held past niet bij de aard van het werken in de zorg. Zorg is in de aard van de zaak namelijk niet louter sterk, gezond en actief presteren, zoals bij de Griekse held en bij de voetbalheld. Zorg is tevens het erkennen van falen, lijden en sterfelijkheid – het is het erkennen en verdragen van je eigen onmacht. Niet zelden hebben ziekten hun eigen onvoorspelbare verloop, hoeveel medische interventie je ook pleegt.

Daar komt bij dat de zieke niet alleen een appel doet op zorgvuldigheid, maar ook op zorgzaamheid. Soms is het nodig dat een verzorgende ‘neerzit’, zichzelf onderwerpt aan het gebeuren, zich naar de zieke toewendt en voorbij de klinische blik simpelweg aanwezig is – niet langer eigenmachtig presterend.

Het is vrijwel onmogelijk om rechtopstaand toegewijd te zijn aan een ernstig ziek en lijdend mens. De verzorgende mag dan in het activistische optreden – in het procedurele, zorgvuldige werken – een ‘verticale’ held zijn, maar in de zorgzame toewijding is hij/zij slechts ‘horizontaal’ dienstbaar. Dan is de verzorgende zich bewust van de macht van de ziekte, van de eigen onmacht en de kans op een verloren strijd.
 


Giotto di Bondone – De bewening van Christus (ca. 1305), bron: Google

Toewijding en zorg, bron: D-Day-info
 

Martin Heidegger meende in de zorgende toewijding de basis te zien van het menselijk bestaan. Deze basis veronderstelt dat de mens een plek onder de hemel bewoont en aldus ‘thuis’ is op aarde. In Bauen Wohnen Denken (1951) omschrijft hij dit zorgzame wonen op dichterlijke, bijna religieuze wijze: ‘In het redden van de aarde, in het ontvangen van de hemel, in het verwachten van de goddelijken, in het begeleiden van de stervelingen.’ Volgens De Visscher gaat het om ‘een beschikbaarheid en een dienstbaarheid die zowel onze bedrijvigheid op het oog hebben (redden en begeleiden) als onze passiviteit (ontvangen en verwachten) onderkennen.’

Slechts in een subtiele samenspel van gepaste activiteit en noodzakelijke passiviteit – in het onderkennen van zowel onze eigen macht als de macht van het gebeuren – is de mens toegewijd.

Mede hierom heeft deze toewijding niet veel van doen met eigendunk, grote gebaren en diepzinnigheid, en ook niet met overweldiging en koste-wat-koste forceren. Zou dit ook de reden zijn waarom doorgaans de meeste verzorgenden vrouw zijn?

 

De verzorgende zal dus een heilzame middenweg moeten bewandelen tussen activisme en terughoudendheid. Deze toewijding kunnen we met een archaïsch woord ‘heilig’ noemen. Welnu, dit heilige ‘verdraagt geen profane of publieke glorie’, aldus De Visscher. Menselijkerwijs gezien maakt deze toewijding de verzorgende ‘heel’ en haar werk ‘helend’.

 

Om verschillende redenen bewijzen we mijns inziens de zorgende mens geen dienst bewijzen door haar verticaal op een voetstuk te plaatsen. Voor je het weet, gaan we mensen ophemelen terwijl ze met handen en voeten aan de aarde gebonden zijn en daar dag in dag uit hun werk verrichten. Voor je het weet pogen we de verzorgende te paaien met een streling van het ego. Terwijl bij uitstek het ego de toewijding in de weg zit. Verzorgenden moeten anderen toegewijd zijn en niet zichzelf, zoals sporthelden en filmhelden. Of wie weet, maken we van elke verzorgende wel een soort majoor Bosshardt – iemand die op bewonderenswaardige wijze tegen alle maatschappelijke trends en neoliberale conventies in het leven in eenvoud en dienstbaarheid vervult.

 

Ervan uitgaande dat de behoefte aan verering vooral onze eigen behoefte is, bewijzen we ook onszelf er ook geen goede dienst mee. Mensen op een voetstuk plaatsen – in concreto een standbeeld oprichten – is bij uitstek een behoefte vanuit ons eigen activisme. Want zeg nou zelf – hoe kunnen we nu beter onszelf (inclusief onze erkentelijkheid) bewijzen dan in het oprichten van een figuurlijk of zelfs materieel beeld.

 

Dikwijls betreft een standbeeld de afronding van een catharsis annex heldenverering. In het standbeeld hebben we onze angst, verdriet en andere emoties laten stollen, die even tevoren nog vloeibaar waren. Op kunstmatige wijze zetten we een punt achter de crisis. Dan gaan we, zodra we onze vrijheid herwonnen hebben, jaarlijks op een speciale corona-herdenkingsdag bloemenkransen leggen. Vervolgens applaudisseren we twee minuten lang. Eenmaal tot gewoonte geworden, verliest het zijn levendige evidentie en behoudt het alleen nog een ritueel karakter, hetgeen meestal een bevestiging betekent van de bestaande orde en de oude voet.

 

Op metaforische wijze heeft Nietzsche als volgt gewaarschuwd voor de maatschappelijke kwaliteit van standbeelden: ‘Het genie van de cultuur gaat net als Cellini te werk, toen deze het gietsel van zijn Perseus-standbeeld maakte: de vloeibare massa dreigde niet voldoende te zijn, maar zij moest het zijn dus gooide hij er schotels en borden in, en wat hem verder maar in handen viel. En evenzo gooit het genie van de cultuur er dwalingen, ondeugden, wensdromen, waanvoorstellingen en andere dingen van inferieur én hoogwaardig metaal in, want het standbeeld van de mensheid moet nu eenmaal gereedkomen; wat geeft het dat er hier en daar een wat poverder materiaal werd gebruikt?’

 

Tot slot nog een opmerking over de ouderen en kwetsbaren. Terecht staan zij in de huidige crisis centraal in de belangstelling. Zij maken zelfs de centrale factor uit van het leidende principe in de nationale crisisaanpak. In zijn televisietoespraak van 16 maart zei premier Mark Rutte hierover onder meer: ‘En ik wil me richten tot de ouderen en de mensen met een zwakke gezondheid. Ik realiseer me dat u grote zorgen hebt. En daarom wil ik u zeggen dat het onze absolute prioriteit is de risico’s voor u zo klein mogelijk te maken. […] Hoe groter de groep die immuun is, hoe kleiner de kans voor het virus om over te springen op kwetsbare ouderen en mensen met een zwakke gezondheid. Met groepsimmuniteit bouw je als het ware een beschermende muur om hen heen. Dat is het principe.’

 

Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat ook hierbij sprake is van een abrupt omgekeerde wereld. In de ‘normale’ wereld hebben we niet zoveel op met ouderdom en kwetsbaarheid. In de snelle wereld van nog maar enkele weken geleden staat het ideaal van de jeugdigheid centraal. Dit geldt voor vrijwel alle sectoren van de samenleving. Ouderdom staat al gauw gelijk aan zwakte, vertraging en belemmering. In het bijzonder met betrekking tot moderne media staat het al gauw gelijk aan achterlijkheid.

In Het Nieuwe Ouder Worden (2006) spreekt Jan Baars van een ‘paradox van de steeds jongere oudere’. Terwijl mensen ouder worden, worden ze op steeds jongere leeftijd als oud bestempeld. In de huidige westerse samenleving lijkt die stempelgrens rond de 40 te liggen en tot voor enkele weken was de verwachting dat deze leeftijd verder omlaag gaat.

 

Onder invloed van de jeugdcultuur in de vitale bovenwereld, zijn geneigd om ouderdom te verdoezelen, te ontkennen en, wanneer dit niet meer lukt, te negeren of in de onopvallende onderwereld weg te stoppen. Vanuit economisch perspectief gezien heet het dat de oudere geen productieve bijdrage meer levert aan de samenleving. In het politieke debat gaat het vooral over de betaalbaarheid van de ouderenzorg – een groeiende kostenpost op het overheidsbudget. Met dit alles hebben we nauwelijks oog voor de kwaliteit van ouderdom en neigen we ertoe ouderen en kwetsbaren te verbannen naar de marge van de samenleving. 

De moderne oudere voelt zich dan ook genoodzaakt om zich jong en voorlijk voor te doen, om zich vooral niet afgeschreven te voelen. De markt van cosmetica en voedingssupplementen speelt handig in op het verlangen naar uiterlijke en innerlijke jeugdigheid. Wanneer oudere mensen naar hun leeftijd wordt gevraagd, vullen ze hun leeftijd steevast aan met de opmerking ‘maar zo oud voel ik me niet, hoor’. ‘Zich jong voelen is een feilloos werkend teken van ouderdom in een cultuur die de ouderdom verwerpt en de jeugd cultiveert, aldus Cornelis Verhoeven in De Resten van het Vaderschap (1975).

Wat is de reden van de abrupte omslag in onze sociaal-politieke benadering van de ouderen en kwestbaren? Ik aarzel om op deze vraag in te gaan in het besef dat de beantwoording ervan vergt dat we ons niet alleen op glad ijs begeven, maar ook op moreel dubieus terrein. Ik sluit evenwel ook niet uit dat we ons in de ‘normale’ wereld al lang op dit gladde ijs en op moreel dubieus terrein hadden gegeven en ons daarvan nooit expliciet rekenschap van hebben gegeven en afgelegd. Mogelijk dat de huidige crisis dit alleen maar verduidelijk. Wellicht iets voor een volgende dagboekaantekening.

  

 

>> Terug <<

>> Home <<