>> Terug <<

>> Home <<

 

 

 

1 april 2020

 

Franciscus en de vogels

Wandelen

Elke dag doen zich zaken voor die uitnodigen tot reflectie en dagdromerij. In die zin heeft het schrijven van een dagboek wel iets weg van wandelen.

In Filosofie van het Landschap (1970 vergelijkt Ton Lemaire filosoferen met wandelen door velden, bossen en heuvels. De oplettende wandelaar wordt hierbij regelmatig verrast met iets opvallends of verbazingwekkends. Maar ook de peinzende wandelaar komt aan zijn trekken. Het ene been voor het andere vormt een gestage ritmiek waarin de innerlijke dialoog op den duur aan dwingende kracht verliest. Met een beetje geluk kun je plotseling een vergezicht aanschouwen.

 

‘Wandelen en filosoferen zijn analoge handelingen, en de vernieuwing en verdieping van het leven die uit beide kunnen voortvloeien, zijn het gevolg van de hernieuwde uitwisseling van betekenis tussen het bijzondere en het algemene, tussen de afzonderlijke dingen en de horizon waarbinnen ze verschijnen.’ Lemaire wijst hierbij op het intentieloze karakter van wandelen dat bijvoorbeeld te vinden is in het Franse woord ‘ręverie’, dat niet alleen ‘wandeling’ betekent maar ook ‘droom’. In de droom – en ook in de dagdroom – hebben associaties het voor het zeggen. Structuur en orde ontbreken, zodat je springend van de hak op de tak, je telkens weer verwonderd afvraagt hoe je hier nu weer bent aanbeland.

 

Dromen wijzen ons op de ongestructureerde en wanordelijke aspecten van de achterkant van het dagelijkse leven. Aan de voorkant heersen de rationaliteit en de ordenende principes van de taal. Aan de achterkant vervagen de grenzen, worden de objecten geliquideerd en verliest de taal zijn kracht. Volgens Friedrich Nietzsche is dit nou juist het fundamentele aspect van de werkelijkheid. ‘Het totale karakter van de wereld is […] in alle eeuwigheid de chaos, niet in de zin van een ontbrekende noodzakelijkheid, maar van een ontbrekende orde, geleding, vorm, schoonheid, en hoe al onze esthetische antropomorfismen ook mogen heten. […] Er zijn uitsluitend noodzakelijkheden: er is niemand die beveelt, niemand die gehoorzaamt, niemand die in overtreding is.’ Uit: Die Fröhliche Wissenschaft (1882).

 

Het is uit deze chaos dat ik bij vlagen een beetje orde moet scheppen. Ik wil voorkomen dat ik niet de weg kwijt raak en op innerlijke dwaalsporen beland. Het scheppen van die orde – dat is voor mij onder meer de functie van een dagboek. Mijn dag toevertrouwen aan schrift of harde schijf is als een wandeling in goeddeels onbekend terrein. In het bijzonder geldt dit voor de huidige crisisperiode waarin veel van de vanzelfsprekendheid niet langer lijkt op te gaan.

Sommige dagen zijn overzichtelijk en bevattelijk als voorheen. Andere dagen vormen een raadsel. Dergelijke dagen lijken ze zich aaneen te rijgen als een ketting van vergezochte associaties. Drs. P schreef er een prachtig lied over, genaamd Sneker Café.

 

Vandaag was zo’n dag om compleet te verdwalen. Toen de vogels begonnen te kwinkeleren en ik bij bewustzijn kwam, bleek mijn ego reeds klaarwakker en mijn lijf vol ambitieuze adrenaline. Vol verwachting vroeg ik me af of de prachtig fluitende vogels me iets te vertellen hebben in deze crisistijd. Het zijn van die dagen waarin op slag teveel zaken te nadrukkelijk van belang toeschijnen. Zo bleef het ongeveer de hele dag. Er was geen lijn in te krijgen. Toen ik ten slotte moest bekennen dat ik ondanks mijn wilde activisme het spoor bijster was, zat er niets anders op dan mijn verwachtingen bij te stellen tot het absolute minimum: doorgaan en aan het eind van de dag weer hetzelfde bed in.

 

Het was geen ontspannen wandeling. Het leek meer op een hardloopwedstrijd waarbij ik na de eerste honderd meter al buiten adem was. Elke zijweg die ik inschoot bleek al snel niet opwindend genoeg; elke volgende bocht of zijweg beloofde daarentegen iets groots. En zo huppelde ik voortdurend achter mijn ego aan.

 

Op zo’n dag waarop het vogelgezang mijn scheppingsdrang heeft aangewakkerd, kan het gebeuren dat ik me al lopend op Franciscus van Assisi en zijn vogelpreek stort; om vervolgens de middeleeuwse Kerk onder de loep te nemen en de paus in het bijzonder; meteen door te rennen naar de oertijd en de schepping van de wereld; te belanden in een voorchristelijke beleving van tijd en natuurlijke samenhang; terloops te stuiten op heil, zonde en genade; vervolgens te constateren dat ondanks de ‘theorie van alles’ de wonderen de wereld nog niet uit zijn; om daarna geconfronteerd te worden met de filosofische grondvraag ‘Waarom is er eigenlijk iets, en niet veeleer niets?’, vervolgens aan te belanden bij de Bijbelse symboliek van ‘het zout der aarde’ en ten slotte uitgeput in mijn eigen achtertuin neer te ploffen in een leunstoel, terwijl een merel in het schemer de dag afsluit met het hoogste lied.

 

Het was een enerverende wandeling, van de hak op de tak, waar geen einde aan leek te komen. Deze dagboekaantekening is dan ook meer een reisverslag geworden – een merkwaardige aaneenrijging van toevalligheden. Zoals op zoveel lentedagen begon en eindige de dag met fluitende vogels. Of we ernaar luisteren of niet – of we erbij zijn of niet – de vogels fluiten onverstoorbaar voort.

 

Allegorische afbeelding van Franciscus en de vogels. Bron: kuleuven.be

Een vlucht regenwulpen. Bron: Vogelbescherming.

 

 

 

Wonderbaarlijke vogelzang

Er is minder verkeers- en stadslawaai, er zitten meer mensen thuis en de lente is aangebroken. Ineens lijkt het alsof de natuur nadrukkelijker van zich laat horen. Zeker nu het broedseizoen is aangebroken en vogels volop bezig zijn het bouwen van een nestje en het afbakenen van hun territorium. Mensen geven aan dat ze tijdens de huidige de coronacrisis meer oor hebben voor de vogels in hun omgeving en dat ze de rijkdom en de diversiteit van het zangrepertoire waarderen. Als we de media mogen geloven, dan wordt aandachtig luisteren in de tuin of op het balkon als een aangename afleiding in de crisisverveling verwelkomd.

 

De ontluikende natuur in de lente heeft altijd tot de verbeelding gesproken. In de Romantiek heeft het woord ‘natuur’ voor het eerst de modernere betekenis gekregen van de onbezoedelde tegenhanger van de stadse nijverheid en de industriële herrie – en ook van het publieke kabaal van de Verlichting. Het woord ‘natuurlijk’ werd gebruikt als het onbezoedelde tegenovergestelde van woorden als ‘kunstmatig’ en ‘technisch’.

Bij sommige Duitse romantici werd de natuur op bijna religieuze wijze verheerlijkt. Het was alsof de mens was aanbeland op een beslissend kruispunt in zijn ontwikkeling. De ene weg ging voort op de kunstmatige ontaarding van de menselijke beschaving. De andere keerde terug naar de eenheid van mens en natuur. Laatstgenoemde weg voerde onderzoekende romantici niet alleen naar de ongerepte wildernis, maar ook naar de onderkomens en gehuchten van ongeletterde plattelanders.

 

Georg Friedrich Philipp Freiherr von Hardenberg, alias Novalis, was zo'n romantische jongeling –  een intelligent en gevoelig mens. Ondanks – of misschien wel dankzij – zijn vroege dood op 29-jarige leeftijd verwierf hij grote bekendheid met zijn gedichten en geschriften. In Die Lehrlinge zu Sais (1799) verhaalt hij van ‘een innerlijke ontvankelijkheid voor de natuur’ die in ieder pasgeboren mens aanwezig is, maar die in de verdrukking komt in het dagelijks rumoer van een drukbezette geest.

Middels de juiste opvoeding kan men deze zin bij kinderen en jongeren aanwakkeren, bijvoorbeeld door regelmatig in stilte de natuur in te trekken. Het verscherpen van deze zin zou heilzaam zijn voor lichaam en geest. Het zou de verwondering voor het innerlijke leven wekken. Tegelijkertijd zou het de kunstzinnige en geestelijke talenten doen ontluiken en tot bloei brengen.

 

In het gedicht Es Färbte Sich die Wiese Grün beschrijft Novalis zijn lyrische vervoering bij het aanschouwen van de komst van de lente.

 

 

Het zwelde aan, dreef overal heen            

in levendige kleuren, klanken, geuren.

Ze verbonden zich naar het scheen inéén,

Het leek een liefderijk gebeuren.

Er leek een geest in mij ontwaakt

die alles zo levendig maakt

die in duizend schone waren

zich bloeiend wilde openbaren.

[…]

Toen ik daar stond keek ik het aan.

Een sterke drang begon in mijn bestaan.

Een lieflijk meisje wekte mijn verlangen

nam mijn zinnen helemaal gevangen.

 

 

In de moderne tijd zijn we niet meer zo geneigd tot een speculatie over het heilzame effect van vogelzang op de menselijke gesteldheid. We baseren ons liever op wetenschappelijk onderzoek, bijvoorbeeld een onderzoek naar de heilzame werking van vogelgezang op stressherstel en het vermogen tot concentratie. Dit onderzoek is in 2013 gestart aan de universiteit van Surrey (UK). De laatste tijd heb ik er zelf overigens niets meer van gehoord.

 

Onderzoek naar vogelgeluiden en hun invloed op concentratie en stressherstel aan de universiteit van Surrey (UK)

 

Ieder jaar wanneer de winter ten einde loopt, word ik blij van die typische roep van de koolmees. En wanneer vervolgens ook de merel en het roodborstje hun stemmen verheffen, voel ik de lente. En dan heb ik het nog niet over de lijster, vroeg in het jaar aan de bosrand. En wat te denken van de leeuwerik op warme lentedagen in het wijde veld? Tal van mensen herkennen hun fraaie vogelgezang. Menigeen kan er gebiologeerd naar staan luisteren. Er zijn ‘vogelaars’ die zonder moeite alle zangvogels in Nederland aan hun zang kunnen herkennen.

 

Zo’n 800 jaar geleden was er ook een vogelliefhebber, genaamd Franciscus van Assisi. Op een dag ging ‘de zalige Franciscus’ wandelen in het dal van Spoleto, in de buurt van Assisi. ‘Hij kwam in de buurt van Bevagna bij een plek, waar een grote menigte vogels van diverse pluimage bijeen was; er waren duiven, kraaien en nog andere vogels, die men gewoonlijk kauwen noemt. Franciscus, de dienaar van God, was een man die ook voor de lagere, redeloze schepsels veel genegenheid voelde en ze erg graag mocht. Bruisend spontaan als hij was, liet hij, toen hij die vogels daar gezien had, zijn metgezellen waar ze waren, en liep er enthousiast naar toe. Maar toen hij er vlak bij kwam, zag hij, dat ze als het ware stonden te wachten om hem te ontvangen. Hij groette hen op de manier waarop hij altijd groette, maar vroeg zich wel verbaasd af, waarom de vogels niet weggevlogen waren, zoals ze altijd doen. Een grote vreugde kwam bij hem op en vriendelijk vroeg hij hun om naar het woord van God te luisteren.’ Aldus verhaalt ons de franciscaner minderbroeder Thomas van Celano  in De Vita Sancti Francisci (ca. 1229, zie ook hier).

 

Vervolgens begon Franciscus te preken tot de vogels: ‘Mijn broeders, vogels, grote lof moeten jullie brengen aan jullie Schepper en Hem altijd van harte beminnen. Hij is het immers, Die jullie veren gaf om je te kleden en vleugels om te vliegen en alles wat jullie nodig hebben. Onder de schepselen gaf Hij jullie een ereplaats en wees jullie de vrije, zuivere lucht als verblijfplaats aan. Zaaien doen jullie niet, evenmin als maaien. Maar dat is ook niet nodig. Want zonder dat jullie er iets voor hoeven te doen beschermt Hij jullie en regelt Hij alles voor jullie.’

In De Vita vervolgt Celano: ‘Toen begonnen die vogels – het verhaal heb ik van hemzelf en de broeders, die bij hem waren – op wonderlijke manier op hun eigen wijze hun vreugde te uiten: ze rekten hun halzen, strekten hun vleugels uit, openden hun bek en keken naar hem. Hij wandelde daarna wat tussen hen rond, terwijl hij met zijn habijt langs hun kopjes en lijfjes streek. Tenslotte zegende hij hen, maakte het kruisteken en gaf ze verlof om weg te vliegen.’

 

Iemand die tegen vogels praat – wat moeten we hiervan denken? Een godswonder of een psychiatrisch geval? Of een bijzonder staaltje van religieuze geschiedverfraaiing? Wie was Franciscus? Was hij revolutionair of gezagsgetrouw, een vernieuwer of juist een steunpilaar van de Kerk van Rome, een cynische wijsgeer of een religieuze naďeveling, een navolger van Jezus of een krankzinnige? Naar verluidt was hij onbevangen en naďef, en tegelijkertijd toegewijd, serieus en fanatiek. Ook werd hij charismatisch en mateloos inspirerend genoemd.

 

Naar aanleiding van de heiligverklaring van Franciscus in 1128 had Celano een officiële kerkelijke opdracht gekregen voor een hagiografie – een heiligenbiografie. Celano had tijdens zijn leven Franciscus enkele keren ontmoet – naar verluidt had Franciscus hem zelf nog aangenomen. Maar tot de intimi van Franciscus behoorde hij niet.

 

Later kreeg de illustere geleerde Bonaventura de opdracht om nog een officiële hagiografie te schrijven. Deze Scarica Vita di San Francesco – Legenda Maior werd uiteindelijk in 1263 goedgekeurd door het generale kapittel van de franciscaner orde. Ook dit werk vermeldt de vogelpreek.[1]

Bonaventura bevond zich toen als minister generaal al in het centrum van de kerkelijke macht. In die hoedanigheid liet hij besluiten dat zijn Legenda Maior bij publicatie canoniek was en dat het aan gelovigen niet meer was toegestaan om andere biografieën over Franciscus te lezen. Alle overige schriftelijke getuigenissen over Franciscus moesten worden vernietigd. In die tijd was zoiets overigens niet ongebruikelijk. Heiligen waren er niet voor de feitelijke waarheid, noch om rationeel begrepen te worden. Hun levensverhaal had vooral een stichtende functie. Een hagiografie was – en is nog steeds – een vorm van kerkelijke propaganda.

 

Al met al is de curieuze vogelpreek bewaard gebleven voor het nageslacht. Wat nu was de bedoeling van dit verhaal? Moest het nageslacht werkelijk geloven dat Franciscus het evangelie tot de vogels predikte? Was de natuur zondig en hadden de vogels het evangelie nodig? Welke betekenis heeft het verhaal voor gelovigen? En waarom trad uitgerekend Franciscus op als verkondiger van de goede boodschap?

In het onderstaande neem ik een duik in het canonieke levensverhaal van deze vreemde vogel.

Zoals hierboven reeds aangegeven, duurt het even voordat ik tot de kern van de zaak kom. En die kern is de logische vervolgvraag wat deze vogelpreek voor de huidige tijd betekent. En is het wellicht zo dat  tijdens de huidige coronacrisis de rollen omgekeerd zijn? Hebben de vogels op dit moment – nu het stadsrumoer verstomd is – ons wellicht iets te vertellen?

 

 

 

De heilige

Celano heeft van het leven van Franciscus een rijke en meeslepende biografie gemaakt. Het bevat tal van bijzondere anekdotes. Hieronder enkele fragmenten.

 

De biografie start met het onbezonnen leventje van de jeugdige Giovanni di Bernardone. ‘Welbespraakt, opgewekt, welwillend, niet slap, maar ook niet aanmatigend’. Zijn vader, de koopman Pietro di Bernadone, reisde regelmatig naar Frankrijk, nam zijn zoon soms mee, en stuurde hem later zelfstandig op pad om handel te drijven. Dat zou verklaren waarom de zoon Franciscus (‘de Fransman’) is gaan heten. Volgens Celano was Franciscus een geestdriftige, maar ongeremde jongen. Een onbekende biograaf, Anonymus van Perugia, noemt hem daarentegen ‘goedhartig, goedgeefs en charmant’.

 

Celano: ‘Als geďnfecteerd door het gif van de oude slang wist hij van geen matiging.’ Uiteindelijk is het God die vrij hardhandig ‘zijn dwalende geest tot de orde roept. Franciscus wordt langdurig ziek. ‘Het lange ziek-zijn - iets wat de mensen zelf over zich afroepen door hun hardnekkigheid, omdat ze dan bijna alleen door straf te verbeteren zijn - maakte hem murw en geleidelijk begon hij tot andere gedachten te komen.’ Geleidelijk aan  begon hij zichzelf te verachten en kreeg hij een afkeer van hetgeen hij vroeger bewonderd en bemind had. ‘Maar toch niet zonder meer en ook niet volledig. Hij was immers nog niet los van zijn schijnwereld en hij had het juk van zijn verdorven slavernij nog niet helemaal afgeschud. Zeer moeilijk is het immers gewoonten af te leren en wanneer iets wortel geschoten heeft in de ziel, rukt men het niet gemakkelijk uit. Ook al heeft men er lang geen aandacht aan geschonken, het eerst aangeleerde vergeet men nooit; fouten, die men voortdurend begaat, worden meestal een vanzelfsprekend iets.’

 

Wat volgde was een langdurige innerlijke verzoeking van aardse geneugten en zelfzucht. Franciscus bleef echter volhardend God smeken om zijn levensweg te bepalen en hem te leren om in navolging van Jezus te leven. Uiteindelijk ging Franciscus, gesterkt door de heilige Geest ‘de gezegende weg, waartoe zijn hart hem dreef, de weg waarlangs men onder verwerping van al het aardse komt tot het hoogste goed’. Opgewekt en vol energie werd hij ‘een strijder voor de Heer. ‘Zijn bescherming zocht hij in zijn geloof; het vertrouwen op God was zijn wapenrusting. De gloed van Gods bezieling brandde in hem’. Vrijmoedig ging hij op pad. Maar zodra bekenden bemerkten dat hij niet meer de jongeling van vroeger was, ‘begonnen zijn hem te beklagen en verwijten te doen. Zij scholden hem uit voor waanzinnige gek en gooiden hem met modder en stenen. En omdat zij zagen, hoe anders hij zich gedroeg en hoe mager hij door versterving geworden was, schreven ze heel zijn doen en laten toe aan uitputting en waanzin.’

 

‘Een tijd lang werd er in de stad in straten en op pleinen over hem gepraat en waren er opstootjes om hem. En toen hier en daar de spotters nogal luidruchtig te werk gingen, hoorden velen ervan en kwamen de praatjes ook zijn vader ter ore.’ Zijn notabele en welgestelde vader was ontstemd over het gedrag van zijn zoon en pakte hem hardhandig aan, ‘zonder een spoor van zelfbeheersing,’ en ‘met grimmige woede’. ‘Medelijden kende hij niet.’ ‘Beschimpingen, verwijten, boeien’ – Franciscus liet het allemaal over zich heengaan.

Uiteindelijk begreep de vader, dat er niets met zijn zoon te beginnen was. Het enige waarom de vader nog bezorgd was, betrof geld en bezittingen die Franciscus zich had toegeëigend. De vader was bevreesd dat Franciscus in het geheel niet meer gehecht was aan aards bezit en dat hij zijn rijkdom wilde gebruiken om ‘voor de armen daar voedsel te kopen en hun huizen te herstellen’. Hij droeg Franciscus dan ook op om ten overstaan van de bisschop afstand te doen van zijn bezit en alles terug te geven aan zijn vader.

 

Eenmaal aangekomen bij de bisschop, ‘kleedde Franciscus zich helemaal uit, gooide zijn kleren op de grond en gaf ze zo aan zijn vader terug; zelfs zijn lendendoek wilde hij niet houden en hij geneerde zich er niet voor in volle naaktheid voor de ogen van heel het gezelschap te staan. Toen stond de bisschop, die zijn bezieling opmerkte en vol bewondering was voor zijn onstuimige vastberadenheid, onmiddellijk op, sloeg zijn armen om hem heen en hulde hem in zijn mantel. Duidelijk zag hij, dat God hier iets van plan was, en hij begreep, dat wat hij de man Gods met eigen ogen had zien doen, een diepere betekenis had. Daarom gaf hij hem van toen af aan zijn hulp. Hij steunde en bemoedigde hem en liet hem in diepe genegenheid de bescherming van zijn liefde daadwerkelijk ondervinden.’

 

Vanaf dat moment ging Franciscus de wereld in ‘in een heilig verlangen om zichzelf geheel weg te cijferen’. Hij deelde het leven met melaatsen en ‘stelde hij zich met de grootste toewijding in hun dienst. Niet alleen waste hij hun door de ziekte wegterend lichaam, maar ook hun etterende wonden maakte hij schoon.’ Ook anderen die in nood verkeerden, kwam hij te hulp. ‘Gul gaf hij aan mensen, die niets bezaten, en wanneer iemand in de put zat, leefde hij hartelijk mee.’ Franciscus herstelde de vervallen kerk van de heilige Damianus, alwaar ‘de roemvolle, verheven Orde van de godgewijde Arme Vrouwen’ ontstond – een orde van ‘kuisheid, onthechting en zwijgzaamheid’.

 

Voortaan ging hij blootsvoets en kleedde hij zich in een habijt ‘ van een zeer ruige stof, want zijn lichaam met zijn ondeugden en begeerten wil hij erin kruisigen; en armelijk moet het zijn, zonder smaak of snit, zodat geen wereldling erdoor gecharmeerd zou kunnen worden.’ Hij omgordde zich met een touw. Ook begon hij te preken. ‘Met vurige ijver en blij gezind begon hij vervolgens allen op te roepen tot boete en door zijn ongekunstelde, gloedvolle manier van spreken wist hij zijn toehoorders zo te boeien, dat ze in eerbiedige aandacht en diep onder de indruk luisterden.’

 

Vanaf dat moment sloten de vermogende Bernardus van Quintavalle, de rechtsgeleerde Petrus Catani, de eenvoudige Egidius  en de welbespraakte Philippus zich aan bij Franciscus. Zij gingen als boetelingen zijn leefwijze volgen. Egidius was een ‘eenvoudig, rechtschapen en godvrezend man’, ‘in zijn heiligheid, rechtschapenheid en vroomheid’ een voorbeeld van ‘volmaakte gehoorzaamheid, ook van handenarbeid, van leven in eenzaamheid en heilige schouwing van God’. Philippus’ lippen waren door God ‘met vurige kolen gezuiverd’. Aldus had de Heer hem de gave geschonken om in heerlijke, als honing vloeiende bewoordingen over Hem te kunnen spreken.’ Allengs kwamen er meer volgelingen.

 

In 1209 kwam in Franciscus de behoefte op aan een pauselijke zegening van zijn levenswandel en zijn prediking. Hij was zelf immers geen priester. ‘De leiding in Gods kerk was toen in handen van paus Innocentius III, een roemvol man, die een invloedrijk geleerde en een voortreffelijk redenaar was. Met vurige ijver deed hij er alles voor de juiste weg te vinden, waar het ging om de beleving van het christelijk geloof. Toen hij dan ook vernomen had, wat de man Gods verlangde, onderzocht hij de zaak eerst nog eens zorgvuldig. Hij kon zich evenwel met het verzoek verenigen en gaf toen ook uitdrukkelijk zijn toestemming. Hij voegde er nog een aantal vermaningen en aansporingen aan toe, zegende daarna de heilige Franciscus en zijn broeders en zei: 'Ga onder bescherming van de Heer, broeders, en in de mate waarin de Heer jullie ertoe drijft, roep allen op tot boetvaardigheid. Maar wanneer de Heer jullie aantal nog groter zal maken en jullie nog zegenrijker doet werken, dan zal het mij genoegen doen bericht daarover van jullie te ontvangen. Ik zal jullie dan meer toestaan en jullie nog onbezorgder een grotere opdracht geven.’

 

Het aantal volgelingen van Franciscus was ondertussen gestaag gegroeid. In 1221 waren er naar schatting al vijfduizend minderbroeders. Er moest enige ‘orde’ komen in de beweging, met een aantal voorschriften en regels. Schoorvoetend kwam Franciscus met zijn eerste kloosterregel.

De eerder genoemde Petrus Catani nam het bestuur voor de orde op zich. Na lang aarzelen stelde Franciscus eind 1223 een vernieuwde orderegel op voor zijn minderbroeders. Pas nadat de regel ingrijpend geredigeerd was door kardinaal Ugolino (en ook paus Honorius zelf), is de regel door de moederkerk aanvaard en vastgesteld. Veel oorspronkelijke passages over armoede waren afgezwakt, veel armoedeverwijzingen naar het evangelie waren geschrapt. Tegelijkertijd werd de gehoorzaamheid aan kerkelijke autoriteiten veel sterker benadrukt.

 

Franciscus was niet blij met dit alles, maar naar verluidt heeft hij zich nooit tegen het kerkelijk gezag verzet. Georges Duby schrijft in Le Temps des Cathédrales (1976): ‘Hij werd door het volk als een heilige vereerd. In de steden van Toscane zag men in hem het voorbeeld van een nieuwe volmaaktheid, dat volledig harmonieerde met het verlangen naar nederigheid van de jonge stedelijke samenleving, met haar hang naar ontlediging, naar weldadige werken, naar vreugdevolle lyriek en gevoelsuitbarstingen. Franciscus bestreed de ketterij niet met het zwaard, noch met de rede, maar met de impuls van het hart en met zijn levenswijze. Beter dan wie ook stelde hij het evangelie in al zijn eenvoud in deze wereld tegenwoordig. […]

Hij was geen priester en wilde dat ook niet worden, evenmin als zijn eerste leerlingen. Maar hij viel de priesters niet aan. Wanneer hij tot het volk sprak, wilde hij alleen maar een helpende hand bieden aan deze mannen die dagelijks de hostie consacreerden.’

 

In 1226 is Franciscus gestorven. Nog geen 2 jaar later werd hij heilig verklaard, waarna in Assisi een kerk is gebouwd, gewijd aan Franciscus. Uiteindelijk is het stoffelijk overschot van de heilige hier naartoe gebracht.

 

Giotto di Bondone, De heilige Franciscus preekt voor de vogels, ca 1300, fresco, Assisi. Bron: heiligen.net.

Paus Innocentius III. Bron: wikipedia

 

 

Rex Regum

‘Wie op reis gaat naar het jaar 1200 reist als een antropoloog naar een ontwikkelingsland. Hij belandt in een samenleving waarbinnen vuil, nood, ziekte en onrecht even normaal zijn als dag en nacht, geboorte en dood. Er lopen geen duidelijke grenzen tussen bericht en gerucht, tussen ervaring en verbeelding tussen geschiedenis en mythologie. De werkelijkheid is niet altijd relevant; zij geniet geen prioriteit. De lucht krioelt van geesten, goede en kwade, die het bestaan manipuleren en met magische riten tegemoet getreden moeten worden. Door die wereld beweegt een Franciscus zich niet als zendeling tussen kannibalen, maar eerder als medicijnman. Zijn wereldbeeld is charismatischer dan zijn medemensen, maar nauwelijks primitiever.’

Voor de antropoloog ‘blijft het “inzoomen” op het verleden, waarbij hijzelf aan de achterkant van de camera moet blijven staan.  Om werkelijk oog in oog te komen met een tijdvak als de Middeleeuwen, zou een mens niet alleen moeten terugvinden wat de tussenliggende eeuwen zijn kwijtgeraakt: hij moet ook kwijtraken wat de tussenliggende eeuwen hebben gevonden. Zijn horizon moet zich opnieuw vernauwen. Zijn aarde moet weer plat worden. Hij moet opnieuw tot bovennatuur verheffen wat hij als natuur heeft leren zien, opnieuw buiten zich projecteren wat Freud en de zijnen in ons binnenste vonden. Slaagt hij daarin? Daar slaagt hij nooit in.’, aldus Hélčne Nolthenius in Een Man uit het Dal van Spoleto (1980)

 

Betekent dit dat we niets kunnen zeggen over de betekenis van Franciscus in de 13e eeuw? Wat we op zijn minst kunnen doen, is feiten verzamelen uit de kronieken van die tijd, de stichtelijk levensbeschrijvingen en de officiële kerkelijke documenten. En ja, daarin stuiten we op een moeilijk te begrijpen metaforisch en allegorisch taalgebruik uit een nauwelijks invoelbare religieuze wereld. Daar staat tegenover dat we ook stuiten op een door de eeuwen heen vrijwel constant gebleven werkzame factor, namelijk de menselijke natuur. We stuiten op edele en onedele karaktertrekken, op tijdloze deugden en ondeugden, op nederigheid en grootheidswaan, op dienstbaarheid en het streven naar macht en overheersing.

 

Van de pausen uit die tijd weten we dat ze zich nadrukkelijk manifesteerden als wereldlijke machthebbers. Ze bedreven wereldse politiek; ze poogden hun macht en invloed uit te breiden over de West-Europese wereld. Ze dwongen koningen en andere wereldse vorsten tot onderhorigheid aan de Kerk. Belangrijke wapens hierbij waren religieuze en morele argumenten. Zo werd – op papier althans – het najagen van aardse rijkdom werd veroordeeld. Het uiteindelijke doel hiervan was vooral het vergroten van de kerkelijke macht. Dit doel vormde voor Innocentius III de kern van zijn pausschap.

Klerikale retoriek was hem daarbij niet vreemd. Bij zijn kroning tot paus verkondigde hij met luide stem: 'Ik ben het tot wie Jezus heeft gezegd: “lk zal U de sleutels geven van het koninkrijk der hemelen en wat Gij op aarde verbinden zal, zal gebonden zijn in de hemelen." Ziehier dan de dienstknecht die heerst over de hele familie: hij is de plaatsvervanger van Jezus Christus, de opvolger van Petrus. Hij houdt het midden tussen God en mens, minder groot dan God, groter dan de mens.’ (James Powell, 1994, Innocent III – Vicar of Christ Or Lord of the World?)

 

Niet alleen wereldse vorsten moesten eraan geloven – ook de bestaande kloosterorden waren het doelwit. Met name de Benedictijnen, de Kartuizers en Cisterciënzers moesten het ontgelden. Hen werd verweten dat zij, ondanks hun afzondering, rijkdom vergaarden en een invloedrijke, zelfzuchtige, wereldse rol speelden. Over hen deed het publieke gerucht de rondte dat ze zich gedroegen als ‘ware marktkooplieden’. Ook hier speelde zich in die tijd het grote graaien af.

In mindere mate werden de ridder-monniken – de Tempeliers en de Johannieters – veroordeeld. Zij streden weliswaar voor de Kerk en voor hoofse idealen. Maar zij waren van geen nut in het bestrijden van de gevaarlijkste vijand van de christelijke wereld. De werkelijke vijand werd in die tijd gevormd door tal van ketterse sekten en stromingen – broeierige gemeenschappen van arme leken (zoals de ‘armen van Lyon’) die nieuwe religieuze wegen gingen bewandelen, maar soms ook congregaties van adellijke welgestelden die een strikte en volmaakte ascese nastreefden.

 

Innocentius zette in zijn strijd tegen de afvalligheid zwaar in op het middel van orthodoxie. Politiek gezien pakte hij het behoorlijk slim aan. Enerzijds lukt het hem door onderhandeling en overreding – met milde hand en door middels het vooruitzicht op vergeving – tal van sektarische groepen van lekenbroeders binnen boord te houden. ‘Hij slaagde er zelfs in een deel van de Waldenzen en de heterodoxe armoedesekten binnen de Kerk terug te voeren, door deze open te stellen voor de Katholieke Armen en de humiliaten en de leken op te roepen tot boetedoening’ (Duby).

 

‘Het uitroeien van de ketterij en de versterking van het geloof’ was tevens het hoofddoel van het vierde Lateraanse concilie dat hij 1215 bijeenriep. Op dit concilie gelastte hij een invloedrijke hervorming van de kerkprovincies. Zo moesten er plaatselijke parochies gevormd worden, waarmee over de christelijke wereld een fijnmazig kerkelijk netwerk werd gespannen. Elke parochiaan moest minstens eenmaal per jaar ter biecht gaan bij de pastoor. Hiermee hoopte de Kerk meer zicht te krijgen op overtreding van de kerkelijke discipline, om daarmee teven de afvalligen te kunnen opsporen.

Nu was het dus de beurt aan de aanvankelijk niets vermoedende en veelal welgestelde pastoor om de spil te worden in de jacht op ketters en in de heksenvervolging. Een en ander werd aangevuld met een uitgebreid controlesysteem onder supervisie – en eigenstandige inquisitie – van de bisschop. De straf voor een geconstateerde dwaling was al gauw de brandstapel of levenslange gevangenisstraf.

 

Al met al had Innocentius dus ook de bestuurlijke touwtjes flink aangetrokken. Uiteindelijk werd het concilie van Lateranen een grote overwinning voor hem. Het concilie werd bezocht door zo’n 1500 bisschoppen en geestelijke prelaten vanuit de gehele wereld . Naast geestelijken waren er ook wereldlijke gezagdragers aanwezig, hetgeen werd gezien als een teken van het toegenomen gezag van de paus. Heden ten dage wordt dit concilie gezien als het belangrijkste van de vroege middeleeuwen.

 

Innocentius III wist van wanten als het ging om van onwelgevallige mensen. ‘ln 1179 had een eerder concilie al het gebod uitgevaardigd dat alle onreine personen die door etterende ziekten werden verteerd en alle door de duivel bezeten waanzinnigen in leprozenkolonies moesten worden opgesloten, ver van het volk van God dat gevaar liep door hen te worden besmet. Het concilie van Innocentius III zette deze lijn voort met de verordening dat de joden voortaan, als signaal van onderscheid en uitsluiting, op hun kleding een rond merkteken moesten dragen’ aldus Duby.

Eerder al had hij gelast dat de kruistochten zich ook tegen de sektarische en schismatische gemeenschappen in het zuiden van Frankrijk gingen richten. In 1209 werd een slachting aangericht onder de Albigenzen in de Languedoc.

 

Al met al herkennen we in Innocentius de eerste paus die zich manifesteerde als de vorst onder de vorsten.

 

 

 

Franciscus als religieus gevaar?

Terug naar Franciscus. ‘De kerk had begin 13e eeuw meteen door dat ze Franciscus naar zich toe moest trekken. Want de man die armoede en een persoonlijke beleving van het geloof predikte – zonder tussenkomst van een priester een relatie met Christus aanging – was een tweevoudig gevaar voor de kerk. Daarom werd Franciscus ‘ingekerkt’: zijn levensverhaal werd zo ingekleurd dat hij een steunpilaar van de kerk werd in plaats van een potentieel gevaar.’ Aan het woord is kunsthistoricus Henk van Os in dagblad Trouw van 27 februari 2016. Het dubbele gevaar voor de Kerk school in de combinatie van armoede, lekendom en charisma.

 

Nolthenius is in haar uitgebreide studie ‘niet zozeer op zoek gegaan naar de heilige die hij werd als naar de mens die hij was’. Hierover schrijft ze: ‘Ik heb een mateloos mens gezien. Mateloos in zijn edelmoedigheid, zijn vriendschap, zijn offervaardigheid, zijn standvastigheid, zijn moed, zijn emoties … en in het verticalisme van zijn God-zoeken. Een mateloos mens tot in het absurde, een “nieuw soort gek” in de ogen van de wereld. Broos en onverzettelijk heb ik hemde weg van de mystici zien gaan, nu zingend, dan schreiend, en naarmate hij vorderde op die weg werden zijn vermogens opzienbarender en zijn karaktertrekken geprononceerder.’

 

Het is de vraag of we ooit zullen begrijpen wat de werkelijk boodschap van Franciscus was, net zoals we vermoedelijk nooit zullen weten wat Jezus ten diepste beroerd heeft (zie bijvoorbeeld ook hier). Geen van beide – Jezus noch Franciscus – hebben een expliciete geloofsleer opgetekend. Het was niet met hun geschreven woord, maar vooral met hun leven dat ze zoveel indruk maakten. Het appel dat hiervan uitging, was indrukwekkend en inspirerend. Dikwijls was het zelfs verbijsterend in de ogen van de omstanders. In beide weerspiegelde zich iets wat we in oude christelijke bewoordingen ook wel de ‘vreze des Heren’ noemen. ‘Verbijstering is iets plotselings; zij treedt op in het ondeelbare moment van een ontdekking, zij is niet af te leiden uit een voorafgaande toestand en sluit daar niet bij aan’, aldus Cornelis Verhoeven in Inleiding tot de Verwondering (1967).

 

Het was vooral de mateloze onvoorwaardelijkheid van beider leven die de omstanders verbijsterde. Beider vermogen om zichzelf volledig weg te cijferen vormde een acute bedreiging voor de heersende zelfzucht, voor de zelfgenoegzaamheid van de kerkelijke prelaten en voor hun zelfingebeelde rechtschapenheid. Onder hun invloed werd ‘al wat hoog staat aangeschreven’ – ‘de wijze woorden en het groot vertoon, de goede sier van goede werken, de ijdelheden op hun pauwentroon, de luchtkastelen van de sterken’ (Huub Oosterhuis) – op lossen schroeven gezet.

Omstanders ervoeren in hun nabijheid ‘de schipbreuk van het eigen bestaan’; niet zelden werd men door radeloosheid bevangen. De uitgangspunten en idealen van wereldse instituten werden door een dergelijk appel aan het wankelen gebracht.

 

Het dagelijks leven was al verontrustend genoeg. Voor de kerkelijke macht was dit onwelgevallig. De kerkelijke cultuur was juist op gericht om de kudde der gelovigen bijeen te houden en bescherming te bieden tegen een overmaat aan verontrusting. Vandaar de richtlijnen voor de juiste vroomheid, vandaar het vooruitzicht op het toekomstig heil en de aansporing toch vooral het aardse lot te aanvaarden. Vandaar ook het overvloedig gebruik van onbegrijpelijke formules, rituelen en onverstaanbare taal. Vandaar ook de Roomse rijkdom – de voorafschaduwing van het toekomstige nieuwe Jeruzalem in de figuur van de paus met zijn ‘majesteitelijke pracht van goudbrokaat, rijk versierd met opgewerkte bloemen en geciseleerde edelstenen’ en de ‘fonkelende halsketens en in sneeuwwit glanzende gewaden’ van de kardinalen en bisschoppen.

 

En vandaar ook het appelleren aan idyllische beelden, zoals die van ‘de goede herder’. Vrij naar Cornelis Verhoeven: ‘Juist de zoetsappigheid ervan heeft de functie van een eufemisme of een verzoeningsritus; zij bezweert het gevaar en is een manier om het in de cultuur te integreren.’ Zie ook hier. Alleen in een cultuur waarin het verbijsterende bezworen is, kunnen wereldse machthebbers hun kudde bijeenhouden en besturen.

Welnu, ook de vogelpreek is zo’n verzoenende idylle. Daarmee krijgt het verbijsterende appel van ‘dwazen’ als Franciscus een idyllische Verharmlosung. Dit is een belangrijk doel van de kerkelijke leer en de gepropageerde geloofszekerheden.

 

Door de ‘godsmannen’ en ‘godsvrouwen’ – de vertegenwoordigers van de ‘vreze des Heren’ – te idealiseren, goddelijk te noemen en heilig te verklaren, maak je ze onbereikbaar voor gewone mensen – en dus onschadelijk. De machthebber kan gerust en gewetensvol doorgaan met het uitoefenen van macht. Met recht kan hij zich beroepen op de menselijke natuur en het belang van de politiek in het heilige streven de eenheid te bewaren. In zo’n cultuur hoeft de rijke jongeling niet te vrezen dat hij zijn bezittingen moet opgeven. De ‘Vreze des Heren’ is keurig getransformeerd in een deemoedig besef van de eigen zondigheid en de mogelijkheid tot vergeving.

 

 

De vogelpreek

Gedurende zijn leven heeft Franciscus het nodige geschreven , onder meer vermaningen, brieven, gebeden en lofprijzingen (zie ook hier). Vrijwel nergens in zijn geschriften treffen we toespelingen aan op de natuur – en op vogels al helemaal niet.

In de eerste Regel die Franciscus voor zijn minderbroeders had opgesteld, lezen we dat het voor de broeders verboden is om dieren te houden en op een lastdier te rijden. En in de Aanprijzing van Deugden schrijft Franciscus dat je dieren zodanig moet behandelen, ‘dat ze kunnen doen wat ze willen, voor zover vermoedelijk het aan hen van boven door God is toegestaan’. Dat is alles wat ik heb kunnen vinden.

 

Op de vogelpreek na vermeldt Celano ook niet bijster veel over de natuur, de dieren en de vogels. Een uitzondering is Boek I, hoofdstuk XXIX, getiteld Hoe hij omwille van de Schepper al het geschapene liefhad; en hoe zijn innerlijk leven was en hij er uiterlijk uitzag. Hierin treffen we een passage aan die illustratief zijn voor Franciscus’ liefde voor de natuur: ‘Ook wormen waren hem er lief, omdat over de Verlosser, zoals hij gelezen had, gezegd was: 'Ik ben een worm, geen mens meer.' Als hij ze daarom op een weg vond, raapte hij ze op en bracht ze naar een verborgen, veilige plaats. Stel je voor, dat ze door een voorbijganger vertrapt zouden worden! En waarom zou ik nog verder over andere lagere dieren spreken, wanneer je weet, dat hij in de winter bijen, om ze niet het slachtoffer te laten worden van de kou, zelfs honing of de beste wijn liet geven? Hij was zo onder de indruk van de doelmatigheid van wat ze maakten, en van hun vernuftig instinct, dat hij ze niet genoeg kon prijzen en vaak tot verheerlijking van de Heer een hele dag lang hun lof en die van de andere dieren bleef zingen. […]

Met alle schepselen voelde hij zich verwant en hij sprak ze daarom ook aan met 'broeder'. Met de blik van zijn hart wist hij op een unieke manier, door geen ander ervaren, door te dringen tot de geheimen van het geschapene. […]

Maar hoe moest hij dan niet in vervoering raken door de schoonheid van de bloemen, wanneer hij zag, hoe verrukkelijk ze er uitzagen, en wanneer hij hun heerlijke geuren rook? Onmiddellijk kwam hem dan voor de geest de schoonheid van die bloemen, die, in de lente aan de stam van Jesse ontluikend, door haar geur talloze doden weer tot leven gewekt heeft. En als hij ze in groten getale vond, sprak hij ze toe en riep ze op de lof van de Heer te verkondigen, alsof ze met verstand begaafde wezens waren. Zo deed hij ook met korenvelden, wijngaarden, bergen en wouden, met verrukkelijke, het oog bekorende velden, hoog opborrelende bronnen en in bloei staande tuinen, aarde en vuur, lucht en wind. Meegesleept in vervoering, zich alleen nog God bewust, spoorde hij ze aan Hem lief te hebben en door met vreugde te zijn wat ze waren Hem te dienen. Met alle schepselen voelde hij zich verwant en hij sprak ze daarom ook aan met “broeder”.’

 

 

En in Boek I, hoofdstuk XXVIII lezen we: ‘Zijn hartelijkheid beperkte zich in de overdaad van zijn liefde niet tot de mensen, die gebrek hadden. Ze omvatte ook de stomme, redeloze dieren, de reptielen, de vogels en verder alles, wat geschapen was, of het nu zintuigen had of niet. Maar onder alle dieren ging heel bijzonder zijn liefde uit naar de lammetjes.’ Afijn, dat was het dan wel in de drie Boeken van  De Vita Sancti Francisci.

 

Aangezien Franciscus eenvoudig en in armoede leefde en veel door het land trok, lijdt het geen twijfel dat de natuur hem inspireerde. Maar het is de vraag of de natuur voor Franciscus wel een middel was waarvan hij zich expliciet bediende. Gebruikte hij de natuur – al dan niet als metafoor – in zijn overwegingen en preken? We hebben geen idee.

Maar het lijkt me sowieso onwaarschijnlijk dat hij de natuur als doel voor zijn preken op het oog had, dat hij een doelbewuste boodschap had dieren. Veeleer vermoed ik dat de Kerk een doel had met deze geënsceneerde evangelisatie van het vogelrijk. En daar zijn heel goede redenen voor aan te wijzen. Het heeft allemaal te maken met de vroegmiddeleeuwse, christelijke kijk op Gods schepping, de zondeval, de omringende natuur, de menselijke natuur, de verhouding van de mens tot de wereld en de verhouding van de mens tot God. Van grote invloed hierbij zijn de Heilige Schrift en de geschriften van kerkvaders als Athanasius, Augustinus, Irenaeus en Theofilus. Daarnaast zijn er enkele wijsgerige geschriften uit de klassieke Oudheid. In de tijd van Franciscus betrof dit vooral werken van Plato. Ook de encyclopedische Naturalis Historia van Plinius de Oudere was invloedrijk.

 

In het navolgende noem ik drie redenen waarom de vogelpreek canoniek is geworden, te weten (1) de cruciale rol van zonde en genade in de kerkelijke leer, (2) de nadruk op hiërarchie in de wereld en in de Kerk en (3) het belang van wonderen voor de kerkelijke leer.

  

 

Zonde en genade

Om te beginnen is er in de vroegchristelijke natuuropvatting sprake van twee – eigenlijk zelfs drie – werelden: de paradijselijke wereld zoals die door God is geschapen; de wereld van na de zondeval en de toekomstige wereld na de terugkeer van Christus op aarde. Dit wijst op twee belangrijke cesuren – een in de ‘historische’ wereld (zondeval) en een in de toekomstverwachting (wederkomst van Christus).

 

In zijn Confessiones (ca. 398 n Chr) onderscheidt kerkvader Augustinus ‘het goede’ (bonum) van ‘het hoogste goed’ (summum bonum). Het ‘hoogste goed’ is eeuwig en onbederfelijk. En het is ook heilig – in de zin van geheel en integer. Dit geldt voor de oorspronkelijke schepping en voor al het geschapene (dus ook de slang).

Het ‘goede’ daarentegen is onderhevig aan bederf en ontbinding, en daarom slechts tijdelijk. In het goede is geen sprake meer van eenheid of heelheid. De eenheid in de wereld is verbroken. Hierdoor wordt de mens een individu en wordt hij geconfronteerd met zelfzucht, zelfexpansie en hoogmoed. Symbolisch hiervoor is het verhaal over de Toren van Babel. Volgens kerkvaders als Irenaeus en Theofilus is dit een gevolg van de zondeval.

 

Dat Augustinus de wereld van zonde, ziekte en dood desondanks ‘goed’ noemt heeft te maken met de christelijke notie van ‘genade’. Dit wordt onder meer gesymboliseerd in de kruisdood en de bijgaande vergeving van alle zonden. Het ‘goede’ heeft dus betrekking op de natuur (ook de menselijke natuur), maar niet in opzichzelfstaande zin. Volgens Augustinus kun je de natuur alleen maar ‘goed’ noemen indien je mogelijkheid hebt om je met deze natuur te verzoenen – dus met het vooruitzicht op en de verwachting van het ‘hoogste goed’ in het hiernamaals. Ook de eerder genoemde Irenaeus en Theofilus meenden dat we uiteindelijk weer een betere wereld zonder leed tegemoet kunnen zien. In de genade zal de eenheid weer hersteld worden.

 

Uiteraard gaat het Augustinus vooral om de menselijke natuur. En voor deze natuur geldt dat ze zich per definitie afspeelt tussen aarde en hemel – tussen zonde en genade – tussen leven en zegening – tussen realiteit en ideaal.

Voor de duidelijkheid – in het oorspronkelijke Hebreeuws is de betekenis van het woord ‘zonde’: het ‘missen’. In de huidige tijd kunnen we dan ook beter niet meer denken aan een of andere straf van God.  In een seculiere tijd waarin het transcendente geweken lijkt, is het gepaster om te spreken van ‘het bewandelen van een heilloze weg’ of ‘het missen van je doel (of je bestemming)’. 

 

 

In de tijd van Franciscus werden mensen geregeld geconfronteerd armoede, honger, ziekte, gebrokenheid en dood. Het lijkt erop dat we in de huidige crisis een fractie van de bestaansonzekerheid van toen kunnen navoelen. En net zoals wij verlangend uitkijken naar een toekomstige verlichting van onze situatie en naarstig zoeken naar signalen die deze verlichting weerspiegelen, zo vond de christelijke kudde een mogelijkheid om zich in hun geregelde levenscrises te verzoenen met het leven. Er was uitzicht, en dat was ‘goed’.

 

De huidige verzoeningsrituelen vinden vooral plaats op televisie. Naast de berichten over toenemende kennis van het virus en afnemende sterftecijfers bevestigen luchtige quizzen, oude televisieseries, films en reguliere reclame dat het leven net als voorheen goed is. In de tijd van Franciscus vervulden de stichtelijk heiligenverhalen, de imposante bouwwerken, de schilderingen in de kerken en niet te vergeten de hoogmis deze verzoenende functie. De vogelpreek past als allegorie uitstekend in deze verzoeningspraktijken. Als de genade al gepredikt werd aan ‘de stomme, redeloze dieren, de reptielen, de vogels en verder alles, wat geschapen was’ hoeveel meer was dit ‘hoogste goed’ dan niet voorbestemd aan mensen?

 

 

Lineaire tijd, transcendentie en aardse hiërarchie

De tweede legitimatie voor de vogelpreek is de joods-christelijke opvatting omtrent de verhouding van het tijdelijke tot het eeuwige – en in het verlengde daarvan de verhouding van de mens tot de aarde.

 

De zojuist genoemde vroegchristelijke tijdsindeling van de wereld – de wereld vóór en na de zondeval en de toekomstige eindtijd – getuigt van een lineaire tijdsopvatting. Deze opvatting is voor het eerst in de geschiedenis schriftelijk vastgelegd zo rond de zesde eeuw v Chr, en wel in het eerste boek Bereesjiet van de joodse Thora. In de Bijbel kennen we dit eerste boek ook wel onder de naam Genesis.

In het Midden-Oosten van de zesde eeuw v Chr was dit een unicum. Alom – ook in het toen nog vrijwel ongecultiveerde Europa – heerste destijds een cyclische tijdsopvatting. Het wereldse gebeuren was een kringloop die ook zichtbaar was in de loop van de sterren, de afwisseling der seizoenen, de bloei en het afsterven in het plantenrijk, het neerslaan en verdampen van de ochtenddauw en de overstroming van de grote rivieren.

 

In het dagelijks leven speelden verhalen en mythen over deze kringloop een cruciale rol. Het gevolg hiervan was dat ruimte en tijd destijds een geheel andere betekenis hadden dan voor ons in de tegenwoordige tijd. Wanneer de voorkomende bewegingen niet lineair worden gedacht, maar overwegend cyclisch, dan is de wereld ten diepste onveranderlijk. Alles keert vroeg of laat  terug in een uitgangssituatie zoals deze ooit was in de ‘oertijd’.

Veel mythen getuigen van een geestelijke oriëntatie op deze oertijd. Een belangrijk richtsnoer in het dagelijks leven was het voorbeeld van de goden die in de oertijd na lange en hevige strijd de kosmos uit de chaos hadden geschapen. ‘Marduk, de god van Babylon, zag bijvoorbeeld pas kans de wereld tot stand te brengen na een gigantische strijd met de godin Tiamat, de oerzee. Hij had haar karkas als een reusachtig schelpdier in tweeën gespleten om uit haar lichaam de aarde en de hemel te vormen. Deze mythe gaf uitdrukking aan de heidense overtuiging dat er geen ontologische kloof bestond tussen de heilige en wereldse gebieden. De goden, de mensen en de natuur bestonden allen uit dezelfde goddelijke substantie en behoorden tot dezelfde categorie. Het oergeweld van de chaos en de vormloosheid kon nog altijd terugkeren en om dat te voorkomen moesten de mensen deelnemen aan de eindeloze strijd van de goden.’ Aldus Karen Armstrong in In the Beginning (1996)

 

In The Sacred and the Profane (1959) spreekt Mircea Eliade van een imitatio Dei van de primitieve mens: zijn onontkoombare verlangen en streven om periodiek en op beslissende momenten terug te keren naar de ‘gewijde Oertijd’. Het doel hiervan was revitalisering – tijdelijk weer deelgenoot te zijn van de grootste schepping aller tijden, de goddelijke schepping van de Wereld vanuit de Chaos. Alleen op grond van dit grote voorbeeld, alleen door het nadoen van het werk der goden, is de primitieve mens in staat om energiek en vol vertrouwen zijn eigen scheppende werk ter hand te nemen en te volbrengen.

 

Al met al was het scheppingsverhaal van Genesis in zijn tijd revolutionair nieuw. Het spotte met alle omringende religies waarin goden, mensen en natuur een onverbrekelijk geheel vormden van verderf en revitalisering, van geboorte, dood en wedergeboorte. Het spotte met elk religieus streven om de wereld te behoeden voor de voorwereldlijke chaos.

Voor het eerst werd de goddelijke macht gepresenteerd als een eenheid van goddelijke machten (Elohim). De schrijver van Genesis presenteerde deze God ‘zonder iets te vertellen over zijn achtergrond of zijn verleden in de oertijd’.

Armstrong: ‘Op de voorgrond vinden we één enkele God, de enige bron van kracht en leven, die zijn schepping geheel onder controle heeft. God is enig en alleen, totaal anders dan de natuurlijke wereld die geheel aan hem ondergeschikt is. God hoeft slechts te spreken en zijn woorden geven uiting aan de vormeloze woestenij van de chaos, geven hem structuur, gestalte en vorm. […] De wereld die hij schiep heeft plan en betekenis. Ze is ook hiërarchisch geordend, met God aan de top van de piramide en de mensen als zijn vertegenwoordigers op aarde: “... hij zal heersen over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, over de tamme dieren, over alle wilde beesten en over al het gedierte dat over de grond kruipt”.’

 

En als klap op de vuurpijl was er die zevende dag toen God zag dat het goed was en zich in ruste begaf. Deze God trok zich terug gaf als zodanig het goede voorbeeld dat je in je scheppende werk ‘van ophouden moet weten’. In het naleven van de sabbat wordt voor joden duidelijk dat hun God transcendent is, onbereikbaar, onnoembaar: JHWH.

 

In de joodse traditie van de Thora is de cyclische tijd doorbroken en is nog slechts sprake van één schepping, één paradijs, één zondeval, één zondvloed. Het aardse leven is eenmalig geworden. De tijd is lineair geworden en de mens een individu. Aan de schepping was geen lange godenstrijd voorafgegaan – in tegendeel: ‘in den beginne was het Woord’.

 

Enkele eeuwen later komt daar in de jonge christelijke traditie ook nog een eenmalige eindtijd bij. Slechts aan Christus wordt een wedergeboorte toegedicht. In de christelijke traditie gaat het om de individuele mens, wiens persoonlijke daden in de jongste der dagen zullen worden beoordeeld. Het menselijk handelen heeft niet langer tot doel het werk der goden in stand te houden; er is geen sprake meer van een noodzakelijke imitatio Dei. Na de zondeval – na het eten van de kennisvrucht van goed en kwaad – staat het de mens vrij om naar eigen inzicht te handelen. Het gaat om eigen verantwoordelijkheid op basis van slechts tien Geboden. En pas achteraf – niemand weet wanneer – moet elke mens zich afzonderlijk verantwoorden voor zijn eigen daden.

Deze handelingsvrijheid strekt zich uit over de gehele aarde – ook ‘over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, over de tamme dieren, over alle wilde beesten en over al het gedierte dat over de grond kruipt’. De mens zal hierover heersen, waarbij het woord ‘heersen’ wordt gebruikt in de Hebreeuwse betekenis van ‘soeverein heersen’ – heersen zoals een koning dat doet.

 

Al met al is hiermee in de godsdienstige geschiedenis een geheel nieuwe hiërarchie ontstaan. Bovenaan – transcendent en onbenaderbaar – staat God. Daaronder komt de individuele, vrije en verantwoordelijke mens – levend tussen realiteit en ideaal, tussen hemel en aarde. En ten slotte is daar de aardse natuur waarover de mens zal heersen. Er is geen weg meer terug naar het oorspronkelijke leven in de natuurlijke staat.

De doorbreking van de natuurstaat enerzijds en van de cyclische tijd anderzijds zijn van fundamentele betekenis geworden het menselijk handelen en denken. En op den duur ook voor het modern wetenschappelijke denken.

 

In de tijd van Franciscus betekende de bovengeschetste hiërarchie dat de gehele aardse natuur zich moest voorbereiden op de wederkomst van Christus. Ook Augustinus meende dat ook dieren hun oorspronkelijke doel kunnen missen. Niet dat ze zondigen in dezelfde theologische zin als de mens, maar wel dat de van oorsprong goede schepping kwaadaardig is geworden – en wel door toedoen van de mens. Vandaar de evangelisatie van het aardse leven. Vandaar deze vogelpreek. En als vogels zich hier al op moeten voorbereiden, hoezeer geldt het dan niet voor mensen?

 

 

 

Wonderen

Net als bij andere heiligen worden ook in de hagiografie van Franciscus tal van wonderen vermeld. Geheel Boek III van Celano’s De Vita is gewijd aan ‘de heiligverklaring van onze zalige Vader Franciscus en zijn wonderen’.

 

Uitzonderlijk – zeker in die tijd – zijn de ‘stigmata’ die Franciscus op een bepaald moment in zijn leven heeft ontvangen. Tijdens het Sint Michaëls-vasten op de berg Alverna kreeg Franciscus aanvallen te verduren van duivels, met als gevolg veel nachtelijke kwelling, angst en strijd. Op een nacht na enkele indringende visioenen begonnen in zijn handen en voeten de tekenen van spijkers zichtbaar te worden. Ook zijn rechterzijde leek doorboord door een lans. Deze heilige wondtekenen van Jezus – als gevolg van diens kruisiging – beduidden dat ook Franciscus deelgenoot was geworden van het lijden van Jezus. Ziek, uitgeput en geheel gevoelloos keerde hij terug van de berg Alverna. Vanaf dat moment droeg Franciscus de littekenen van het kruis.

 


 

De stigmatisering van de heilige Franciscus van Assisi, Lorenzo Monaco, ca 1420, Rijksmuseum Amsterdam

Franciscus was de eerste in de kerkgeschiedenis waarvan officieel een stigmatisatie vermeld is. Uiteraard was dit voor paus Gregorius IX een belangrijke aanbeveling om Franciscus na zijn dood heilig te verklaren. In het algemeen worden ook de door een aspirant-heilige verrichte wonderen als legitimatie beschouwd voor een heiligverklaring.

 

‘Een wonder is een ingreep in de als natuurlijk ervaren gang van zaken, waarvoor de wetenschap op dat moment geen verklaring heeft. Heiligen verrichten zulke ingrepen met hulp van God, en heksen met hulp van de duivel. Naarmate wetenschap en ratio terrein winnen, lopen wonderen terug in aantal en kwaliteit. Haaks op die dalende lijn staat de hagiografie die meer wonderen opdist, naarmate de heilige langer dood is’, aldus Nolthenius.

Ze voegt hieraan toe dat Franciscus tijdens zijn leven ‘geen spectaculaire wonderdoener’ was. Daarbij wijst ze op enkele – voor een heilige nogal obligate – wonderen, zoals een soort wonderbare spijsvermenigvuldiging op een bootreis naar Ancona en ook het oproepen van water uit een rots tijdens een lange, verhitte tocht naar de top van de Alverna. Beide zijn een karakteristieke stichtelijke verwijzing naar de Bijbel.

 

In Het Register  (1995) vraagt Cornelis Verhoeven zich af er ook ‘richtlijnen voor wonderdoeners’ bestaan. ‘Wat mij vooral zou interesseren is de mate van nadrukkelijkheid waarmee het wonder moet worden verricht. Die moet het juiste midden houden tussen het achteloze gebaar en de spectaculaire act. Bestaan wonderen niet, omdat het onmogelijk is dat midden te bepalen?’

Als voorbeeld noemt Verhoeven het wonder dat aartsvader Mozes in Bijbelboek Numeri verricht door twee keer met zijn staf op de rots te slaan. Dankzij deze ingreep kwam er water uit rots tevoorschijn en konden de Israëlieten hun dorst lessen.

Hoe hard moest Mozes hierbij slaan? ‘Scheppen dat te luid van 'au' gaat, is geen kunst, maar zware arbeid, en scheppen dat helemaal geruisloos verloopt, is alleen maar vinden, aantreffen. De toeschouwer die geen instinct voor wonderen heeft, mag dit wel even denken, maar hij moet het niet echt geloven.’ Verhoeven voegt eraan toe was we tegenwoordig vermoedelijk niet meer in wonderen geloven omdat we ‘zo vurig geloven in actie, pijn en moeite’.

 

Hoe dan ook, voor paus Gregorius was er kennelijk reden genoeg om Franciscus op 16 juli 1228 heilig te verklaren. ‘Met luide stem, zijn armen ten hemel heffend’ sprak de plaatsvervanger van Petrus op aarde de betreffende formule uit ten overstaan van het toegestroomde volk en de verzamelde kardinalen en bisschoppen.

Bij deze feestelijke gelegenheid zijn vervolgens op luide toon tal van wonderen van de hand van Franciscus opgesomd: ‘genezingen van gehandicapten; genezingen van blinden; genezingen van bezetenen; genezingen van melaatsen’. Celano voegde hieraan toe: ‘Enkele van de wonderen van onze heilige Vader Franciscus hebben we verteld, maar er zijn er nog meer verzwegen’.

 

Opvallend is dat de door Celano genoemde wonderen allemaal na Franciscus’ dood zijn geschied. Dit geldt ook voor de spectaculaire opsomming in Bonaventura’s Legenda Maior.[2] Deze verzameling is nog veel imposanter dan die van Celano. Ze bevat ook opwekkingen uit de dood, genezingen van een stervende, reddingen van de kraamdood, blinden die weer konden zien, redding van schipbreukelingen en wonderbaarlijke bevrijdingen uit de gevangenis. Bonaventura stelde zijn canonieke geschrift samen in een roerige tijd waarin nadrukkelijk de verwachting leefde van de wederkomst van Christus op aarde. Dat kan mede een rede zijn dat Franciscus door Bonaventura is neergezet als een tweede Jezus.

 

 

Terug bij af?

‘Wonderen zijn aanleiding tot verder onderzoek’, aldus Willem B. Drees (de zoon van …) in Van Niets tot Nu – een Wetenschappelijke Scheppingsvertelling (1996). Moderne natuurwetenschap doet niet in wonderen, maar juist in wetmatigheden en formules die op ieder moment en op iedere plaats geldig zijn. Het gaat hierbij om natuurwetten die soms verbazingwekkend eenvoudig zijn, zozeer dat zelfs deskundigen zich erover verwonderen dat de werkelijkheid hier zo schijnbaar probleemloos aan gehoorzaamt. Tegelijkertijd zijn er de mathematische beschrijvingen die zo complex zijn dat buitenstaanders zich erover verbazen dat ze aan het menselijke brein zijn ontsproten.

 

De moderne wetenschap heeft een grote invloed op de hedendaagse leef- en denkwereld. Sommige resultaten van de moderne wetenschap zijn zo spectaculair dat diverse media er brood in zien om dit in Jip-en-Janneke-taal aan de mensen voor te schotelen. Van een live operatie in een academisch ziekenhuis tot een special over de nieuwste waarnemingen van de grens van het heelal. Wetenschapsbijlagen, populair wetenschappelijke boeken en televisieprogramma’s bedienen het grote publiek en vormen op deze wijze gratis propaganda voor het wetenschappelijke bedrijf. Dit alles draagt bij aan een mythe van een bijna grenzeloze wetenschappelijke potentie. Indien we deze mythe mogen geloven, dan zijn we in staat door te dringen in de diepste geheimen van het leven. Het lijkt erop dat de moderne wetenschap een revolutie ontketend heeft die merkbaar is tot in de kleinste elementaire deeltjes en tot aan de grenzen van tijd en ruimte. Deze revolutie zorgt er ook voor dat het wonder steeds verder verdreven wordt uit de gaten van onze kennis.

 

Big Bang, vanuit natuurwetenschappelijk perspectief, dus van buitenaf gezien. De toeschouwer maakt geen deel uit van het heelal. Grappig, niet?

Bron: newatlas.com

 


Impressie van de ontleding van materie – v.l.n.r. materie, atoom, atoomkern, kerndeeltje bestaande uit quarks. Bron: scienceabc.com 

 

Op het huiselijke beeldscherm wordt ons een blik gegund van zaken die in het dagelijks leven voor het oog – en zelfs voor de fijnste microscoop of de grootste telescoop – verborgen blijven. Met simulaties en full color animaties worden ons de verste uithoeken van het heela en, de kleinste bouwstenen van de materie voorgetoverd, zo ook het begin van tijd en ruimte. Maar ook die blik is begrensd. Altijd weer doemt die verdraaide grens op – niet alleen de grens aan onze ervaring en aan ons voorstellingsvermogen, maar ook aan ons weten.

 

Aldus heeft de natuurwetenschap haar eigen horizon. Het natuurwetenschappelijk onderzoek zal nooit afgerond zijn. Nooit zullen de wetenschappelijke theorieën tot vervolmaking komen. Nooit zullen we onze inspanningen kunnen afronden met – wat we zo parmantig noemen – een ‘theorie van alles’.

 

Om te beginnen hebben we te maken met een absolute ‘kennishorizon’, voorbij welke we feitelijk niets kunnen weten. Zoiets geldt bijvoorbeeld voor de ‘Big Bang’. De oerknal is geen ervaringsfeit uit het dagelijks leven, we kunnen er ons niets realistisch bij voorstellen. Feitelijk is de Big Bang alleen maar het eindpunt van een wiskundige extrapolatie terug in de tijd.

Als we teruggaan in de tijd dan krimpt het universum ineen waarbij de concentratie van massa en energie voortdurend groter wordt. Uiteindelijk is er alleen nog maar energie – onvoorstelbaar veel in een steeds kleiner wordend babyheelal. Een fractie voordat we over onze kennishorizon heen schieten, beginnen de natuurwetten in de kolkend hete chaos te piepen en te kraken. Het wiskundige gereedschap – het enige gereedschap waarover we dan nog beschikken – dreigt het te begeven. En dit is nu wat we de Big Bang noemen. Of er ooit een begin is geweest van het heelal, hoe dit begin was en of hier nog weer iets aan vooraf is gegaan – binnen de natuurwetenschap zullen dit altijd onbeantwoorde vragen blijven. Wellicht dat de horizon nog wat opschuift, maar ook voorbij die opschuivende horizon verliezen de natuurwetten hun geldigheid. Dan hebben de fundamenten onder de natuurwetenschap het definitief begeven.

 

Het is duidelijk dat we in de loop der eeuwen heel wat wonderen uit onze kennisgaten hebben verjaagd. Maar dat we ze uiteindelijk uit alle gaten zullen verjagen is een nogal speculatieve veronderstelling. Deze veronderstelling impliceert bijvoorbeeld dat we zicht hebben van het aantal gaten in onze kennis en dat het aantal gaten dus aftelbaar is. Helaas kunnen we hierover niets positiefs zeggen. Per slot van rekening kan een oplossing voor een wetenschappelijk vraagstuk heel wel tien nieuwe vragen oproepen; door een gat te vullen kunnen er tien nieuwe gaten ontstaan.

Naar verluidt, heeft Albert Einstein hiervoor ooit een treffend beeld geschetst. Toenemende kennis is te vergelijken met een uitdijende bol. Naarmate deze kennisbol verder uitdijt, neemt het aanrakingsoppervlak met het onbekende toe. En het is maar de vraag of genoemde uitdijing binnen dit geometrische beeld plaatsvindt in een gesloten of in een open kennisruimte. In het laatste geval zal tot onze ijdele frustratie blijken dat naarmate de bol verder uitdijt de complexiteit telkens toeneemt. In dat geval zal onze kennishorizon niet alleen dynamisch zijn, maar tevens nimmer ten einde komen.

 

Van Niets tot Nu is een fysisch-theologische beschouwing over het ontstaan van materie en leven. Het begin van tijd en ruimte, het kleinste elementaire deeltje en de grens van het uitdijende heelal – helaas, over hun ontstaan weten we feitelijk niets definitiefs. In de extremiteiten van de wereld, vlak voordat we over onze kennishorizon schieten, bestaat onze kennis alleen nog maar uit abstracte, wiskundige entiteiten – en dan ook nog eens in hun uiterste grensgevallen. Voorbij de mathematische feitelijkheid blijven er alleen nog maar woorden over – mysterieuze, betekenisloze woorden die we gefascineerd en gemakkelijk nababbelen: Big Bang, quarks, dark matter …..

 

Hoe verder de bol van onze kennis uitdijt en hoe dichter we de oorsprong van alles naderen, des te prangender die fundamentele  filosofische kwestie wordt waarmee Martin Heidegger ooit zijn Einführung in die Metaphysik (1953) begon: ‘Waarom is er eigenlijk iets, en niet veeleer niets? Dat is de vraag. Vermoedelijk is dit geen willekeurige vraag. “Waarom is er eigenlijk iets, en niet veeleer niets?” – dat is blijkbaar de eerste van alle vragen’.

Heidegger sprak van ‘de ruimste, diepste en oorspronkelijkste vraag’ – de ‘filosofische grondvraag’. Met deze vraag wordt iets vanzelfsprekends in twijfel getrokken – zo vanzelfsprekend dat de vraag bij het uitspreken ervan meteen in een logische paradox verandert. Ik kan deze vraag alleen maar stellen op voorwaarde dat ik zelf ‘ben’. Kortom, de vragensteller als ‘zijnde’ weerlegt onmiddellijk het ‘niet-zijn’.

 

Over Heidegger is nogal wat te doen geweest, met name rond zijn publiekelijke knieval voor het nationaalsocialisme. Dat neemt niet weg dat hij een oorspronkelijke en invloedrijke denker is geweest. Zijn bedoeling met de grondvraag was niet het simpele aantonen van een logische paradox. Hij heeft de grondvraag een tikkeltje anders gesteld: ‘Warum ist überhaupt Seiendes und nicht vielmehr Nichts?‘ Het hier bedoelde ‘zijnde‘ is van een volslagen andere orde dan het ‘iets’ wat ik hierboven maar even voor het gemak schreef. En dat maakt een enorm verschil.

Heidegger: ‘Het zijnde treffen we overal aan, het omgeeft, draagt en bedwingt, betovert en vervult, verheft en ontgoocheld ons, maar waar is en waarin bestaat bij dit alles het zijn van dit zijnde?’ Deze aanvulling op de grondvraag maakt stelt de kwestie veel fundamenteler aan de orde.

 

De vraag naar het ‘iets’ schept hooguit een wijsgerige verwondering vanwege de logische paradox. Het schept ook een natuurwetenschappelijke verwondering: hoe kan er nou materie uit het niets ontstaan? Met als vervolgvragen: aan welke fysische voorwaarden moet dit ‘Niets’ dan voldoen? Hoe energierijk moet dit niets zijn en wat ging er dus aan vooraf?

Maar met de vraag naar het ‘zijnde’ worden verwondering en fascinatie verre overstegen. Hierbij wordt gevraagd naar de essentie die ons ‘wezen’ uitmaakt, waarvan we allemaal doortrokken zijn en wat de voorwaarde vormt voor al het zinvolle en betekenisvolle. De vraag naar het ‘zijn van de zijnden’ confronteert ons niet zozeer met een logische of fysische verbazing, maar met het existentiële wonder van onze menswording.

 

Natuurlijk kunnen we dit wonder op mechanistische en statistische wijze wegredeneren. En dat wordt in sommige kringen dan ook vol ijver gedaan. Zo betreden we in genoemde limietgevallen het terrein van de wiskundige statistiek van de kwantumfysica. Deze wiskunde is gebaseerd op een fundamentele onzekerheid. En dan blijkt dat we het ‘iets’ niet langer kunnen vastpinnen. Dit ‘iets’ bestaat uit meerdere parallelle mogelijkheden.

Zo is een elementair materiedeeltje zoals een elektron – kwantumfysisch gezien – niet nauwkeurig te lokaliseren. Waar het zich bevindt kunnen we alleen statistisch bepalen. Deze waarschijnlijkheid impliceert dat het elektron in principe op meerdere plaatsen tegelijk kan zijn. Op vergelijkbare wijze benadert de kwantumfysica de werkelijkheid met een eigen wiskundig gereedschap. Zelfs voor het gehele universum geldt dat het zich in meerdere hoedanigheden tegelijk kan manifesteren. Theoretisch gezien is ons universum een ‘multiversum’ – een verzameling van allerhande parallelle universa. Excentriek als het klinkt, is deze ‘vele-wereldeninterpretatie’ tegenwoordig een theoretisch belangrijke  vooronderstelling om voort te kunnen gaan op het pad van een meer volledige, fysische beschrijving van het heelal.

De bizarre theoretische consequentie hiervan is dat wij, normale mensen, leven in één van de pak-hem-beet 10-met-50-nullen universa. En hoewel in geen van de andere universa ooit sprake kan zijn van menselijk leven en deze universa voor ons dagelijks volslagen zin- en betekenisloos zijn, zijn ze theoretisch toch van belang.

De extremiteiten van de wereld zijn niet langer toegankelijk voor de alledaagse mensentaal. Hier aan het begin van tijd en ruimte moeten we noodgedwongen gebruik maken van een allegorische taal. De vele universa moeten we net zo min letterlijk nemen als God’s eerste scheppingsdagen

 

Ik vat samen. Het natuurwetenschappelijke scheppingsverhaal begint met een kolkend hete, vormeloze chaos, waarbij Dante’s Inferno nogal bleekjes afsteekt. Plots ontstaan de eerste vormen van orde: tijd en ruimte, natuurwetten en wiskunde. Voor het ondefinieerbare moment waarop dit plaatsvindt hebben we een woord – oerknal of Big Bang. Inderdaad: ‘In den beginne was het Woord.‘

En zo is het gebeurd. Vanaf dat moment ontstonden het licht en het hemelgewelf. In dit uitspansel kregen de sterren, de zon, de aarde en de maan hun plaats. Op aarde was land, water en lucht. Het water wemelde op den duur van dieren en boven het land verschenen de vogels die langs het hemelgewelf vlogen. En alle soorten werden talrijk. Op het land verschenen wilde beesten, soort na soort; tamme dieren, soort na soort; en alles wat over de grond kruipt, soort na soort. En ten slotte verscheen de mens. Deze zetbaas ging heersen over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, over de tamme dieren, over alle wilde beesten en over al het gedierte dat over de grond kruipt. En daar was ten slotte de vragensteller die de filosofische grondvraag stelde.

 

Afijn, als we dit allemaal geloven, dan meen ik dat we niet veel verder zijn opgeschoten dan Franciscus en zijn tijdgenoten. Als we deze ontwikkeling zien als een causale fysische ontwikkeling vanuit het ‘Niets’ tot aan nu – als een toevalligheid, een ‘schitterend ongeluk’ – als we dit geloven, dan geloven we alles. Óf het konijn zat al in de hoed, óf het is een regelrecht wonder.

 

 

Het zout der aarde

Wij leven en we zijn ons hiervan bewust. En we moeten wel heel goedgelovig zijn als we menen dat we levensverschijnselen en bewustzijn uitputtend kunnen verklaren vanuit wiskunde, natuurwetten en enkele nauwkeurig afgestemde natuurconstanten. Het lijkt me toe dat dit een onzinnig streven is.

We kunnen niet probleemloos als een Baron van Münchhausen uit het hier en nu stappen – onszelf aan onze haren uit onze tijd, ons bewustzijn, ons leven en ons heelal wegtrekken – om vervolgens van een afstand poolshoogte te nemen en de waarheid te achterhalen (zie ook hier).

 

Waarom leren we onze kinderen dat het konijn er van te voren al was en dat deze niet uit de hoed  is getoverd? Waarom doen we moeite om hen duidelijk te maken dat de goochelaar niet tovert, maar goochelt? Dat doen we toch om hen een beetje tot rede te brengen. Is het dan niet verstandig dat we op dezelfde, nuchtere wijze wetenschap bedrijven en onze grenzen hierin kennen. Laten we als volwassenen niet teveel gaan speculeren en goochelen. Aan de rand van tijd en ruimte zijn we gedwongen de grote mysteriën te respecteren.

 

Voor de leek is het uitermate verwarrend om te horen dat materie geschapen is uit het ‘Niets’. Vanuit de kwantumfysica gezien kan deze bewering wel zinnig zijn, maar daarin is het ‘Niets’ nou juist niet niets – in ieder geval niet in de geest van: ‘afwezigheid van materie of energie’. Op uitzonderlijk kleine schaal verliest het ‘Niets’ zijn alledaagse betekenis. De eerder genoemde kwantumstatistiek maakt het theoretisch mogelijk dat op heel minieme schaal sprake is van een soort spontane, tijdelijke  creatie van energie – een soort creatio ex nihilo. Anders gezegd: kwantumfysisch zit er voortdurend al een soort waarschijnlijkheidskonijntje in de hoed.

 

Mijns inziens doen we er goed aan en is het goed voor onze geestelijke gezondheid om de hele zaak vooral ook vanuit de tegengestelde richting te bekijken. Niet vanaf een veilige afstand, vanuit het ‘Niets’ – maar vanuit het hier en nu. Om te beginnen zien we dan dat het leven weliswaar van materie afhankelijk is, maar op zijn beurt ook iets met die materie doet. Onder invloed van leven lijkt het alsof de materie zich gaat ontvouwen tot een diversiteit en een ordelijke dynamiek die voor ‘dode’ materie onbestaanbaar is. Het lijkt alsof de wanordelijke natuur van materie zich onder invloed van leven zich omvormt tot een onvoorstelbaar rijke, onderlinge samenhang. Kennelijk is er een of ander ‘levensprincipe’ op basis waarvan uit dode sterrenstof organismen zijn ontstaan met een uiterst subtiel energetisch evenwicht. Het is alsof het leven de materie tot een ander – en laten we belust als we zijn op orde maar gerust zeggen: hoger – bestaansniveau heeft gebracht. Met leven in de buurt veranderen de waarschijnlijkheden en de neigingen van de levenloze materie radicaal.

 

Vanzelfsprekend kunnen we het niet laten om elders in het heelal naar leven te speuren. Ook pogen we in onze laboratoria leven op te wekken uit dode materie. Tot nu toe zonder positief resultaat. Voor zover we nu weten, heeft zich ergens in een klein uithoekje van het heelal, in de atmosfeer van een onbeduidend planeetje, iets eenmaligs voorgedaan – een nergens en nooit eerder vertoond verschijnsel. Binnen die atmosfeer heeft zich een rijkdom aan chemische verbindingen ontwikkeld die voor het heelal buiten alle proportie is – een hoogst onwaarschijnlijke verstoring van het universele streven naar wanorde (zie ook hier).

 

En dan het verschijnsel ‘bewustzijn’. Laten we ons voor het gemak beperken tot het menselijke denken. Dit denken maakt de materiële wereld nog vele malen subtieler – meer zinnig en meer onvoorspelbaar. Wanneer we het ‘Niets’ onzinnig noemen, dan kunnen we de materie van de wiskunde en de natuurwetten ‘eenzinnig’ noemen. Hierover zou ik gemakkelijk een op zichzelf staande verhandeling kunnen houden, maar laat ik volstaan met de volgende, aan Cornelis Verhoeven ontleende uiteenzetting.

 

In fysische zin kunnen we materie eenzinnig noemen omdat deze volledig met zichzelf samenvalt. In natuurwetenschappelijke zin kunnen we aan materie namelijk een eenduidige identiteit verlenen. Sterker nog, deze eenduidige identiteit is vereist, willen we überhaupt natuurwetenschap kunnen bedrijven. Methodisch denken – in het bijzonder de natuurwetenschappelijke methode – vereist nu eenmaal dat elk elementair onderzoeksobject eenduidig operationeel gedefinieerd of geformuleerd kan worden. Zo kennen we in de chemie water als H2O en zout als NaCl.

 

Dat water bij kamertemperatuur vloeibaar en doorzichtig is, en dat zout hierin kan oplossen, kan uiteindelijk verklaard worden op grond van de elementaire eigenschappen van genoemde stoffen, of van onderdelen hiervan. De vraag waarom zeewater naar zout smaakt vindt haar antwoord overigens niet uitputtend in deze eigenschappen. Daarvoor moeten we ook de biologie raadplegen die ons het nodige kan vertellen over de menselijke smaakzin. Anders gezegd, voor de realiteit die zich buiten de chemie bevindt, moeten we een andere wettenschappelijke discipline raadplegen. Daarnaast bestaat de menselijke werkelijkheid van zout niet alleen uit haar chemische formule of de invloed op de menselijke smaakzin. Tot deze werkelijkheid behoren alledaagse zaken, zoals de winning van zout en de prijs van een kilo zout. We halen immers in de winkel geen kilo NaCl, net zomin als we gaan zwemmen in H2O.

Tot deze werkelijkheid behoren ook gewoonten, gebruiken en historische gebeurtenissen zoals het besluit uit 1928 ter preventie van de volksziekte krop jodium toe te voegen aan keukenzout. En ook het feit dat de Romeinen zout het ‘witte goud’ noemden en hun soldaten in zout uitbetaald kregen en dat we hieraan ons woord ‘salaris’ hebben overgehouden.

 

In het beschouwelijke denken is een ding vrijwel nooit eenzinnig, maar doorgaans altijd ‘veelzinnig’ – een ding is ‘niet één beperkt ding, maar een oneindige wereld’ – ‘niet de verwerkelijking van een bepaalde mogelijkheid, maar van een onbepaald aantal mogelijkheden’ – denkmogelijkheden, wel te verstaan. Dan betreden we al gauw het terrein van de symboliek.

 

Verhoeven schijft in Rondom de Leegte (1965): ‘Symboliek is in denken en handelen de omgang met een stuk werkelijkheid. Het ding wordt benaderd in zijn totaliteit en dus op een naďeve en als men wil onmethodische en onwetenschappelijke wijze. De sluipwegen van de methode voeren altijd naar de gevel of naar de achterkant, naar de zijkant of naar de onderkant van het ding en dan nog alleen in het ideale en dus denkbeeldige geval dat het ding een kubus is en niet een zeer onregelmatig veelvlak met een onberekenbare inhoud. Geen formule kan op uitputtende wijze het ding vatten. Het ding is een concrete oneindigheid – object van denken en mijmeren dat tot in het oneindige kan worden voortgezet. Het symbool heeft nooit deze bepaalde betekenis; het is een product van de vrijheid, die de dingen in haar spel betreft en haar eigen veelzinnigheid oplegt aan de wereld.’

 

De menselijke geest is in zijn gang en gedrag niet te voorspellen. In al zijn onbevangenheid verschaft de geest zijn eigen vrijheid aan de dingen. ‘De eenzinnigheid van de wetenschap wordt bereikt ten koste van de totale betekenis van het concrete ding […] Juist in zoverre de wetenschap kritisch [lees: scheidend] en methodisch is en dus wetenschappelijk is, doodt zij het symbool en daarmee de werkelijkheid.’ Deze laatste zin kunnen we wellicht het beste als volgt interpreteren: wetenschappelijke werkelijkheid is iets heel anders dan de oorspronkelijke menselijke werkelijkheid van waaruit de wetenschap ooit ontstaan is.

 

Verhoeven noemt als godsdienstig voorbeeld de zinsnede uit de Bijbel – bijvoorbeeld Mattheüs 5 – ‘Gij zijt het zout der aarde’. Naar verluidt gaf Jezus hiermee te kennen dat zijn discipelen ‘het verschil kunnen maken’ – zoals we dit modern verkondigen.  

Verhoeven geeft vervolgens een fraaie beschrijving van de (aandacht) concentrerende, prikkelende, humoristische (‘geestige’) en irriterende werking van zout in het menselijk denken. En hij concludeert: ‘Het zout is de geest die wakker en waakzaam houdt. De taak van de geest in de wereld is te voorkomen dat het ware leven verstart. De geest tast de beperkte zekerheden aan. […]

Er is een soort van logheid en inertie in de wereld waartegen de geest, het zout der aarde, zich altijd zal verzetten, zolang hij leeft. […] Het verzet zich zo lang mogelijk tegen institutionalisering en verstarring en houdt de impulsen levend, die eenmaal het instituut in het leven geroepen hebben. Het is ook het wonder van de geest dat water uit rotsen slaat en plotseling reliëf kan geven aan wat eeuwen lang vervlakt was. De humor van het zout zet alle verworvenheden op losse schroeven en stelt ze opnieuw beschikbaar voor het levenwekkend spel van de geest.’

 

Welnu, dit ‘levenwekkende spel van de geest’ is in het heelal slechts op een plek te vinden. Hier doet zich een fenomeen voor dat de mens – in tegenstelling tot de materie van de natuurwetenschap – niet eenzinnig is en niet samenvalt met zichzelf. De mens is tweezelvig (zie hier) – dat wil zeggen: hij kan zich van zichzelf afsplitsen, van zichzelf afwenden, op zichzelf reflecteren en vervolgens heilzaam tegen zichzelf ingaan. Ziedaar de werking van het ‘zout der aarde’.

 

 

 

Vogels tot besluit

In de loop der eeuwen zijn heel wat vreemde vogels heilig verklaard. Gewone vogels daarentegen werden vooral geminacht, beschimpt of verjaagd. Celano heeft nog een tweede versie (1247) van De Vita geschreven – volgens Nolthenius ‘noch een aanvulling, noch een verbeterde uitgave’. Hierin komt een anekdote voor waarin Franciscus in een kwaaie bui een vraatzuchtig roodborstje vervloekte, met als gevolg dat het arme schepseltje verdronk.

Stephanus van Bourbon – een jongere tijdgenoot van Franciscus en latere inquisiteur – vermeldt in zijn De Septem Donis Spiritus Sancti (ca. 1255) de anekdote van een bisschop in Mâcon die mussen excommuniceerde omdat ze zijn kerk vervuilden. ‘Hij heeft de vogels met de dood bedreigd, als ze ooit de kerk nog binnenvlogen. Hiervan zijn ze zo geschrokken dat ze nooit meer in de buurt van de kerk zijn gekomen.’

 

Dat vogels gesticht kunnen worden en als gevolg hiervan God lof toezingen, kunnen we gevoeglijk verwijzen naar het rijk der fabelen. Datzelfde geldt ook voor de suggestie dat de vogels ons in de huidige crisistijd middels hun welluidende gezang een boodschap brengen. Onzin natuurlijk. De natuur houdt ons geen spiegel voor. De natuur is onverschillig en heeft genoeg aan zichzelf. De natuur streeft niets na, behalve een dynamisch evenwicht – een voortdurende homeostase. Mocht de mens hierin meegaan, dan is het goed. Mocht de mens er tegenin gaan, ook goed. Het is de natuur om het even wat de mens uitspookt en wat er met de mens gebeurt. Geen vogel die er minder om zal fluiten.

 

Momenteel is er minder verkeers- en stadslawaai, er zitten meer mensen thuis en de lente is aangebroken. De vogels fluiten naar hartenlust. Hoe minder lawaai wij zelf maken en hoe minder druk bezet we zijn, des te beter we ze kunnen horen.

 

Maar de enige wezens die in dit verband een boodschap hebben en ons een spiegel voorhouden zijn wijzelf. De mens heeft als ‘niet vastgesteld dier’ het vermogen om tegen zijn eigen natuur in te gaan. Dit vermogen tot reflectie en moraal, en dit vermogen om te veranderen en opnieuw te beginnen, is misschien wel het grootste wonder van die toevallige Big Bang.

Dikwijls lijkt het alsof onze menselijke natuur ons hiertoe slechts weinig vrijheid gunt. Maar telkens opnieuw duiken er verhalen op van mensen die hierin verbijsterend ver gaan en ons voortdurend uitdagen. Mensen als Jezus en Franciscus – mensen die spotten met de vanzelfsprekendheid, met de alledaagse wetten van eigendunk en zelfzucht – mensen die ons verontrusten met de ‘Vreze des Heren’. Gelukkig hebben we altijd nog de mogelijkheid om hen heilig te verklaren en hun verontrustende appel onschadelijk te maken.


 

[1] Zie hier, p 127,128

[2] Zie hier, p163 t/m 217

  

 

>> Terug <<

>> Home <<