>> Home <<

 

Bericht uit het hopmanloze tijdperk

De jaren ’70 – het ludieke in de cultuur en in een lokale verkennersgroep

 

Zie ook: Beelden uit het hopmanloze tijdperk

 

 

Over de jaren ‘70 wordt nogal verschillend gedacht. De een spreekt van de jaren van de ‘Grote Matheid’, terwijl de ander ze juist bestempelt als het ‘rode decennium’.  Volgens de een was de rebellie van de jaren ’60 spontaan en waren de hervormingsbewegingen van de jaren ’70 slechts kunstmatige naweeën hiervan. De ander stelt daarentegen dat de maatschappelijke oppositie in de jaren ’70 massaler was, radicaler, heftiger en meeromvattend.

Wel worden de jaren ’70 algemeen beschouwd als een keerpunt. In die periode zijn de naoorlogse jaren van wederopbouw, groeiend optimisme en toenemende welvaart overgegaan in een nieuw behoudend maatschappelijk bestel waarbij de geleide economie is vervangen door een vrije markt economie.

 

Tot halverwege jaren ’60 hadden traditionele gezagsverhoudingen hun dienst bewezen in Nederland. Na de Tweede Wereldoorlog was er dringend behoefte aan orde en rust. De naoorlogse wederopbouw werd gedragen door de noodzaak om gezamenlijk de schouders eronder te zetten. Begin jaren zestig waren de resultaten duidelijk zichtbaar – de woningnood was teruggedrongen, de welvaart groeide en allerlei technische vernieuwingen onderstreepten de vooruitgang. Vanaf nu konden alle moeders koken op Gronings gas terwijl muziek uit de radio klonk. Met antibiotica werden tal van voorheen dodelijke ziekten bestreden. De kolenkachel was vervangen door de gashaard of de CV. De televisie had zijn intrede gedaan met amusement, zoals Voor De Vuist Weg en Swiebertje. Het autobezit nam sterk toe. En vanaf 1963 zorgde de nieuwe anticonceptiepil voor een ongekende mogelijkheid tot geboortebeperking. De oorlog was definitief achter de rug. De gezagsverhoudingen hadden hun dienst bewezen.

 

Een en ander had mede geleid tot veranderingen in het gezinsleven. Met name onder invloed van radio en TV ontstond voor het eerst in de geschiedenis op grote schaal een aparte jongerencultuur. De verhouding tussen ouderen en jongeren kwam onder druk te staan; er groeide een generatiekloof. Op den duur bleef de behoefte aan verandering niet beperkt tot gezin of familie; ze drong ook door tot maatschappelijke instituties.

 

Willem Duys met zijn TV-programma Voor De Vuist Weg, hier met Tommy Cooper (1964). Foto NRC Handelsblad

De huwelijksstoet van prinses Beatrix en Claus met een rookbom. Amsterdam, 10 maart 1966. Foto ANP

 

In de tweede helft van de jaren ‘60 werd het met name in Amsterdam onrustig. Provo ontstond en daarmee een expliciete behoefte aan een nieuw-linkse politiek. Op 10 maart 1966 braken – zichtbaar op TV – rellen uit bij het huwelijk van Beatrix en Claus. In juni van dat jaar ontstonden arbeidsonlusten in Amsterdam vanwege een voorgenomen korting op de vakantie-uitkering. De politie trad krachtdadig op. De Telegraaf schreef een nogal tendentieus artikel over de onlusten, waarna de demonstranten massaal het Telegraaf-kantoor belaagden. Er vielen tientallen gewonden, waaronder een aantal politiemensen. De regering Zijlstra sprak van een ‘gezagscrisis’ en besloot tot een ‘herziening van de gezagshandhaving’ en tot ‘terughoudender, maar effectiever politieoptreden’.  Vanaf dat moment verscheen de Mobiele Eenheid vaker in het straatbeeld. Spoedig kregen veel maatschappelijke en morele kwesties een politieke lading.

 

Op diverse plekken in de westerse wereld verliep het ‘revolutiejaar’ 1968 ronduit heftig. Uiteindelijk werd de rust hersteld, maar veelal pas na hardhandig overheidsingrijpen. In Parijs waren de studentenonlusten ternauwernood onderdrukt. De Praagse lente was de kop ingedrukt door het Warschau-Pact. In Mexico-Stad werd een studentenprotest bloedig neergeslagen. In verschillende Amerikaanse steden was het onrustig vanwege de burgerrechten, de Vietnam-oorlog en de moord op twee maatschappelijke leiders – dominee Martin Luther King en de democratische presidentskandidaat Robert Kennedy. Voor vele Amerikanen belichaamden beide de hoop op verandering.

Na 1968 werd het rustiger. De actievoerders waren ontgoocheld, maar de geest was uit de fles. Overal ter wereld ontstonden spontane demonstraties, happenings en sit-ins, aanvankelijk heel wat vredelievender. Belangrijk voor de jongerencultuur was het meerdaagse muziekfestival van het Amerikaanse Woodstock in augustus 1969. Het was de Summer of Love.

 

In Nederland was het na het onrustige jaar 1966 geleidelijk aan wat rustiger geworden. In 1967 werd Provo officieel ten grave gedragen in het Vondelpark. Sommige provo’s, zoals Roel van Duijn, gingen verder als ‘kabouter’. De jongeren met hun haardracht, hun kettingen en hun kledij – men begon eraan te wennen. Het bleek niet allemaal ‘langharig werkschuw tuig’ met vrije liefde en geestverruimende middelen. Vaders en moeders kregen meer oog voor de idealen van hun kinderen. Ze verzoenden zich met het lange haar van zoonlief, op voorwaarde dat hij het regelmatig waste.

De nieuwe denkbeelden konden rekenen op meer maatschappelijke acceptatie.

 

Publiek bij het muziekfestival in Woodstock, Bethel, New York, augustus 1969. Foto Caters News Agency

1970 Utrecht, Dolle Mina's demonstreren voor het recht op geboortebeperking en abortus. © Spaarnestad

Dolle Mina’s komen op voor het recht op geboortebeperking en abortus, 1970 Utrecht. Foto Spaarnestad

 

De gebeurtenissen eind jaren ’60 vormden de opmaat tot een wijdverbreid streven naar hervorming en democratisering in de jaren ’70. Overal ontstonden belangengroepen en spontane maatschappelijke acties: studentenacties, vakbondsacties, Dolle Mina, krakersacties, acties tegen kernwapens en kerncentrales en voor natuurbehoud.

Zelfs in de psychiatrie klonk de roep om hervorming. Psychiater Jan Foudraine verkondigde dat we ‘geestelijk gestoorden’ vooral ook moesten beschouwen als ‘luidsprekers waaruit de kwalen van onze tijd weerklinken’. Psycholoog-directeur Carel Muller van instituut Dennendal bepleitte een radicale ommekeer in het denken over ‘zwakzinnigen’. Het ging volgens hem om volwaardige mensen die niet door middel van therapie veranderd hoefden te worden. Voor medewerkers van Dennendal gold dat een juiste instelling belangrijker was dan diploma’s.

 

En hoe zat het in die tijd met de padvinderij? In 1965 was ik als 9-jarig jongetje welp geworden bij de Hengelose Hendrik Hudson Groep. Mijn oudere broers waren ook lid geweest. Thuis werd de naam hopman Spenkelink met een zekere eerbied uitgesproken. Toen ik lid werd, was Ger Spenkelink geen hopman meer. Voor mij niet relevant, want in Diny Hilbrink had ik een schat van een akela. De welpen met hun gidsen, helpers, strepen en insignes gaven me een beetje een gevoel van stoerheid en vrijheid. Enerzijds stonden we in de houding en salueerden we, anderzijds getuigden de kampen en kampvuur van een vrij leven zoals we dat thuis helemaal niet kenden. Wanneer ik tijdens de jaarlijkse wandeltocht een stam voortrekkers voorbij zag marcheren, strak in het gelid, was ik onder de indruk.  

 

In de jaren ’60 was de padvinderij nog een traditionele jongerenbeweging (eigenlijk waren het er vier). Ze paste uitstekend in het maatschappelijke beeld van het naoorlogse Nederland. Het was een positief ingestelde beweging waarin het vanzelfsprekend was dat je de schouders eronder zette. ‘Werk maakt ons sterk, helpt ons in ’t leven voort!’ Koningin Juliana was destijds beschermvrouwe.

 

40-jarig jubileum Hendrik Hudsongroep, 1969. Links Ger Spenkelink.

Bestand:De Nederlandse Padvinders.png

De Franse lelie – symbool van de Nederlandse Padvinders

 

In de jaren ’70 veranderde het oordeel over de padvinderij grondig. De uniformen en het vermeende militarisme maakten de beweging verdacht. Boze stemmen beweerden dat de stichter, Lord Baden Powell, een racist was (hij was inderdaad niet vies van niggerhunts) en zich tijdens de Tweede Boerenoorlog schuldig had gemaakt aan oorlogsmisdaden (o.a. het doden van krijgsgevangene). Met baret, korte broek, kousenflossen en insignes rondlopen – ik was inmiddels verkenner – werd iets om je een beetje voor te schamen. Voor mijn vrienden op school hield ik het allemaal vaag. Wanneer er schaatsen op TV was met Ard en Keessie had ik een goed excuus om de zaterdagmiddag over te slaan.

De omslag kwam najaar 1971. Ik was assistent patrouilleleider geworden en maakte mijn eerste ‘kaderkamp’ mee. Mij schieten de namen te binnen van Jan Eertink, Frans Valster, Wouter Tempelaar, Gerard Hamberg, Henk Rademaker en Jan van Spijker. We kampeerden in het Beckumse Beundersveld. Lekker stoer, lekker vrij. Bovendien was het fantasierijk en humoristisch, het was ludiek. Het ene moment waren we serieus en het andere moment werd alles stevig op de hak genomen. Het was de tijd van satire en vrijblijvende maatschappijkritiek, van Neerlands Hoop in Panama en van de eerste Fred Haché Show. Stoer en ludiek – het bleek een gouden combinatie. Mede dankzij die combinatie heeft de Hendrik Hudson Groep de hoogtijdagen van maatschappijkritiek en antimilitarisme overleefd. Wat was het geval?

 

Gerard Hamberg, Henk Rademaker en Frans Valster op een stamkamp, voorjaar 1972

Wouter Tempelaar op een zelf-georganiseerd bespiederskamp, voorjaar 1972

 

In de jaren ‘71 en ’72 was verhoogde activiteit ontstaan bij de Hudson-troep. In die tijd was Ben Wegink hopman. Voor zover ik me kan herinneren werd hij destijds geassisteerd door Harrie van der Mark, Sjoerd Reinstra en Roel Dekens – allemaal goeie gasten. Die verhoogde activiteit was vooral afkomstig van enkele van bovengenoemde verkenners. Het was alsof de jongerencultuur was overgewaaid naar het Hudson-verkennerslokaal aan de Oosterbosweg en daar vruchtbare bodem vond. Bij de blokhut-buren, de Hengelose Verkenners, was dit kennelijk niet het geval. Deze groep leed een kwijnend bestaan en zou spoedig worden opgeheven.

Bij de Hudson waren het met name de oudste verkenners die eigenstandig activiteiten gingen ontplooien. Sommige gingen op avontuur, het land in. We bezochten onder meer het Houthakkers- en Trapperskamp in het Amsterdamse Bos en we namen met succes deel aan de Nationale Hikewedstrijden in Harderwijk. Ook vielen we in de prijzen op Regionale en Landelijke Patrouillewedstrijden.

Maar minstens zo belangrijk waren de eigen kaderkampen. Op eigen houtje brachten we weekenden door op de blokhut, een soort jeugdhonk waarin radio en pick-up centraal stonden. Veel lol en voldoende ruimte om ons uit te leven – om ons jonge leven te verruimen.

 

Frans Valster en Wouter Tempelaar waren ondertussen toegetreden tot de verkennerleiding. Na het vertrek van Ben Wegink gold dit ook voor Henk Rademaker, Gerard Hamberg en Jan van Spijker. Kersverse leiders rechtstreeks uit de gelederen van de verkenners. De jongerencultuur deed zijn intrede in de verkennerleiding.

In 1973 is Kees Karman nog even kortstondig hopman geweest. En na zijn vertrek kwam er een grondige wisseling van de wacht. Begin 1974 bestond de verkennerleiding uit ‘oudgedienden’ Gerard Hamberg en Jan van Spijker, aangevuld met Pieter Jan (PJ) Roos en ondergetekende. Alle vier waren we jonge studenten aan de toenmalige TH Twente. Weinig ervaring in leiderschap, geen Gilwell-scholing, maar wel lange haren.

Het was niet de enige verandering voor de Hudson. Even tevoren waren de Nederlandse Padvinders, de Nederlandse Gidsenbeweging, de Katholieke Verkenners en het Nederlandsche Meisjesgilde opgegaan in Scouting Nederland. We waren padvinder af.

 

Sjef van Oekel – nogal wel zo tamelijk populair. Foto Anefo

The Band, eveneens populair. Foto Wikimedia

 

De Hudson-groepsleiding was blij dat er überhaupt verkennerleiding was, maar aanvankelijk werd ons leiderschap met argusogen bekeken. Begrijpelijk. Haren tot op de schouders, zelfspot, veel insidersgrappen – het was even wennen. Jan Benes en Magda Kiers zullen zich regelmatig afgevraagd hebben wat nou eigenlijk serieus was en wat niet. De verkenners hadden er minder problemen mee. Zij zagen de lol er wel van in.

 

De verkenners en de verkennerleiding – het bleek een gelukkig samenspel. De troep floreerde. Vier volle patrouilles, op een gegeven moment zelfs vijf. Veel zaterdagse troepmiddagen werden ergens op een studentenkamer uitgedokterd. Studeren schoot er soms bij in. Altijd een idee en veel leven in de brouwerij. Op het menu stond het standaardrepertoire van kaart en kompas, pionieren, EHBO, sport en spel, koken e.d., maar dan op ludieke wijze verpakt. Het speelse karakter van de middagen verhulde organisatie, discipline en techniekbeheersing die wel degelijk aanwezig waren. Het was niet alleen slap ouwehoeren. Het vlagceremonieel bleef in ere zonder dat de driekleur de grond raakte en een platte knoop was geen oud wijf.

Niet zelden lieten de verkenners zich meeslepen in de fantasieën die hen wekelijks werden voorgeschoteld. Sterker nog, op den duur kwamen ze met hun eigen ludieke acties voor de dag. In die zin konden zich soms meten met de leiding. Zo ontstonden in deze periode onder meer de ‘verkennersverzetsgroepen’ De Zesde Unie en het Sachaihim.

 

Koning Klant en prins Fourré met de hervonden Klivi-staf, Almelo, 1976

Zomerkamp in Haselüne, 1975

 

Hoogtepunten waren de eigen patrouillewedstrijden. Een aantal weken achtereen in het vroege voorjaar waren de patrouillehoeken omgebouwd tot karakteristieke eigen honken al naar gelang van het thema van de wedstrijden. Op en om de blokhut was het een en al bedrijvigheid. Ingenieuze bouwwerken werden in elkaar gepionierd, de op houtvuur bereide maaltijden waren culinaire hoogstandjes (en als ze dat niet waren werden ze wel als zodanig aangeprezen), uit pure wedijver belandde soms een ‘afgesneden’ fietsenbrancard de sloot in – het ging er fel aan toe. En altijd was er een eindkamp ter afsluiting.

In 1976 waren de wedstrijden gebaseerd op het absurdistische verhaal over het half onder water staande Panatropenland van koning Klant en prins Fourré. Wederom had de fantasie de vrije teugel had gekregen. De verkenners lieten het zich allemaal welgevallen.

 

Absolute hoogtepunten waren de zomerkampen, eerst in Haselüne en later in Bentheim. Met fiets en bakfiets er naar toe, patrouille kampen inrichten, keukens pionieren, latrine graven en dan ruim een week kamperen in de vrije natuur. Iedere ochtend reveille met vlagceremonieel; een grondige inspectie van patrouillekampen, luchtende slaapzakken,al dan niet gewassen voeten, splinters en tekenbeten; ’s avonds kampvuur met zang, gitaar en antieke banjo. Water halen bij de boer, foerageren bij ‘moeder Hamberg’  en koken op houtvuur.  En natuurlijk de tweedaagse hike, het stratego-nachtspel, de kampdoop, de oudermiddag, opvallende bouwwerken zoals de Altsag von Rostadebrücke en natuurlijk de onvolprezen Internationale Haselüne/Bentheim und HHG Zeitung. Alhoewel onvolprezen? – de populaire quizmaster Rudi Carrell heeft het in drukvorm uitgekomen exemplaar destijds aanbevolen bij vrienden en bekenden. Inderdaad het was een uitgave ‘waar zelfs de uitgever plezier aan had’.

 

Als ’s avonds de laatste verkennerstemmen verstomden en de nachtelijke rust weerkeerde in het bos zat de kampleiding – met vaak een special guest, zoals Frans Valster, Wouter Tempelaar, Theo Fortgens of Anne Prins, bij voorkeur met auto –  bijeen rond het kampvuur. Wel telden onze zegeningen. Die zegening was er zeker. De kampactiviteiten waren niet allemaal zonder risico. Bijvoorbeeld die keer toen er een doffe knal klonk vanuit een patrouillekamp een eind verderop. Het had veel weg van een explosie. Gealarmeerd renden we naar de vermeende onheilsplek. Vanuit de verte kwam patrouilleleider Gert van Spijker op ons toelopen. ‘Lachen man!’ Een sperzieboon hing om zijn neus. Aangekomen bij de patrouille bleek het kookvuur goeddeels weggevaagd. Het uiteengereten blik was enkele tientallen meters weggeslingerd, terwijl dampende sperziebonen in de rondte lagen. Ze hadden geen zin gehad om het blik te openen. Direct op het vuur kon ook wel.

 

Wadlopen met de Hudson-stam, mei 1977

De nieuwe hopman, Anne Prins, november 1977

 

Het waren hoogtijdagen met dank aan het volle vertrouwen dat we uiteindelijk kregen van groepsleiding en ouders, het enthousiasme van de verkenners en niet te vergeten, een goed gesternte. Diverse verkenners hadden de smaak te pakken en schoven geleidelijk door naar de Hudson-stam. Sommigen opteerden voor een leidersfunctie binnen de welpen of de verkenners, zoals Herman Versluis, Jan ter Telgte, Wim Jansen, Jan Stegehuis, André Elfring en Wout van der Wal.

Wij zelf gingen ondertussen andere prioriteiten stellen – studie, verkering en zo. Gerard Hamberg studeerde al geruime tijd in Groningen. In de loop van 1977 was de ‘oude’ verkennerleiding uiteen gevallen. Een nieuw gezelschap onder aanvoering van Anne Prins had de leiding overgenomen. In november dat jaar werd Anne als hopman geïnstalleerd. En daarmee  kwam een einde aan het hopmanloze tijdperk.

 

Achteraf gezien was het een tijd van vrijheid, fantasie en veel mogelijkheden. Het ludieke ontdeed het stoere van het starre en gaf het tevens een aangenaam aspect. Dankzij het ludieke konden we ruimte scheppen in achterhaalde en afgeleefde gewoonten, en kon de spruitjeslucht worden verjaagd. Het ludieke gaf weer zicht op de essentie van die gewoonten. In de nieuwe werkelijkheid vormde het vlagceremonieel de noodzakelijke rustmomenten van aanvang en einde. De inspectie was een vorm van elementaire kwaliteitscontrole. Het uniform maakte zichtbaar tot welke groep we behoorden. En het was een reden om er niet al te onverzorgd uit te zien.

Kortom, het ludieke gaf ons ongemerkt de mogelijkheid om ruimte te scheppen, zonder structuurloos te worden. Geen inspectie om de inspectie, de vlag werd niet langer gehesen uit rituele eerbied. Het verwijt dat we ‘het allemaal niet zo serieus namen’ was achteraf gezien meer een compliment. We namen het wel degelijk serieus, maar niet langer zinloos serieus; het moest zin hebben. En ja, daarvoor hebben we binnenskamers tegen zaken aangeschopt en ingesleten gewoontes geridiculiseerd. In een jolige bui is een statig portret van Lord Baden Powell bovenop een stapel houten Hengelo’s Bier kratten in vlammen op gegaan. Het bier smaakte goed.

 

Ruimte scheppen in verstarde maatschappelijke structuren – dat was een van de effecten van de hervormingsbeweging in de vroege jaren ’70. En die ruimte is er gekomen. Om te beginnen, veel meer ruimte voor politiek. Zoals gezegd kregen talloze maatschappelijke en morele kwesties politieke betekenis. Dit resulteerde in een grote mate van politieke betrokkenheid en ruimte voor inspraak. Daarnaast ruimte voor vrijetijdsbesteding en consumeren. En ten slotte ook ruimte voor overheidsingrijpen ten behoeve van emancipatie, sociale zekerheid en het verminderen van sociaaleconomische ongelijkheid.

Spoedig riep deze verruiming tegenkrachten op. Vanuit behoudende kringen werd gewezen op het gevaar van het ontbreken van gezag. Men vreesde een ongebreidelde maatschappelijke vrijheid, gemakzucht en afhankelijkheid van de (verzorgings-)staat. Tegelijkertijd werd in deze kringen het denkbeeld van ‘de vrije markt’ gepropageerd: richt de maatschappij zo in dat de markt ongestoord zijn werk kan doen. Vanuit het opkomend neoliberalisme waren de enige relevante restricties die welke de vrijheid van de markt garanderen. Voor de rest moest de overheid zich zo min mogelijk mengen in het maatschappelijke verkeer.

 

Hans Wiegel. Bron: isgeschiedenis.nl

Antikernwapen cartoon van Opland (Robert Wout)

 

De tegenkrachten waren al spoedig merkbaar in het maatschappelijk verkeer en in de politiek. Ze werden onder meer belichaamd door een jonge, veelbelovende politicus, genaamd Hans Wiegel, die in 1977 toetrad tot het kabinet Van Agt. Maatschappijkritiek was niet langer een breed geaccepteerd verschijnsel. Het kon rekenen op tegenkritiek. Zolang de kritiek ludiek was, werd het geduld. Maar het moest niet serieus worden. Een vroeg voorbeeld hiervan was de zogenaamde Dennendal-affaire. In de revolutionaire hoogtijdagen woonden de ‘zwakzinnigen’ op het terrein van Dennendal samen met begeleiders in kleine woongroepen. Ze kookten en aten samen en werkten samen in de biologisch-dynamische tuinbouw. Dit alles op basis van inspraak en gelijkwaardigheid.

Een onderzoek dat was ingesteld na een kritisch Telegraaf-artikel van maart ’71 bracht weliswaar niet de gemelde verwaarlozing van de bewoners aan het licht, maar wel hier en daar ‘afwijkend en nonchalant gedrag’ van het personeel. Het bestuur van de Willem Arntz-stichting greep in. Directeur Carel Muller werd ontslagen. Maar na veel adhesiebetuigingen werd hij weer aangenomen. De rust voor de bewoners keerde terug, maar de verhouding tussen directeur en het argwanende interim-bestuur bleef gespannen. Toen twee jaar later nieuwe bestuursleden benoemd werden, kwam het tot een breuk. Muller wilde zelfstandig met Dennendal verder. Na een hernieuwd ontslag volgde een bezetting van het Dennendal-complex. In de ogen van het bestuur was dit verre van ludiek. Muller en zijn personeel waren te ver gegaan. Een politiemacht ontzette het complex en Muller werd gearresteerd. ‘De droom van een andere samenleving in Dennendal, een samenleving van verdunning, gelijkwaardigheid en inspraak, was uit.’ (Bron: geheugenvanzeist.nl)

 

http://www.ethesis.net/icoon/icoon_afb/icoon_foto_5_9.jpg

Demonstratie tegen kruisraketten, Amsterdam, 1981. Bron: ethesis.net

Bestand:Carel Muller 130x90.jpg

Op 3 juli 1974  wordt de bezetting van Dennendal beëindigd door politie-ingrijpen. Carel Muller wordt weggevoerd.  Bron: geheugenvanzeist.nl

 

De invloed van de idealen van Muller e.a. is desondanks groot geweest. De behandeling van mensen met een verstandelijke beperking, zoals ‘zwakzinnigen’ tegenwoordig heten, is er niet meer op gericht om ze te veranderen of aan te passen. De toenmalige woongroep van Dennendal vinden we terug in het hedendaagse gezinsvervangend of de sociowoning. Maar een en ander is wel gestructureerd en aan regels gebonden. Geen plaats meer voor afwijkend of nonchalant gedrag van het personeel.

 

Begin jaren ’80 woei er een andere maatschappelijke wind dan tien jaar daarvoor.  Het werd harder en zakelijker. Inspiratiebronnen die begin jaren ’70 veelal sociaal en moreel van aard waren, raakten in de landelijke politiek uit de mode. In plaats daarvan werd de economie dominant.

De nadruk op de economische kant van maatschappelijke kwesties, in het bijzonder op vrije-markt-mechanismen, hebben geresulteerd in een paradoxale omgang met ruimte en vrijheid. Enerzijds een groeiende ruimte voor bezitvorming, consumptie, entertainment, individualisme en expressie. Dit ging gepaard met een deregulering van de betreffende diensten en industrieën. In de huiskamer was dit onder meer te merken aan de TV-reclame. Eind jaren ’60 ingevoerd, werd ze nu indringender en frequenter. Op den duur werd het de ‘slechte adem van de consumptiemaatschappij’.

Anderzijds een toename van regulering van maatschappelijke activiteiten. Maatschappelijke instituties werden meer en meer gereguleerd in de geest van marktpartijen, gericht op maximalisatie van effectiviteit en profijt, en minimalisatie van bedrijfsrisico en de juridische consequenties daarvan. De eigen handelingsvrijheid van mensen werd ingeperkt middels voorschriften, protocollen en juridische kaders.

 

De nadruk op de marktwerking en de bijgaande economische beheersing van het maatschappelijk verkeer leidde tot een snelle toename van structuur, regulering, controle en risicomijding binnen vrijwel alle instituties. Een en ander leidde tot een sterke afname van spontaan maatschappelijk initiatief. En waar dit initiatief wel werd getoond, was het harder en onverzettelijker. Actievoerders, zoals krakers en leden van het Dierenbevrijdingsfront bedienden zich in toenemende mate van directe en gewelddadige actie.

Nog enkele keren zouden de mensen massaal en vredelievend op de been komen. Zo waren er twee grote anti-kernwapendemonstraties – een in Amsterdam in 1981 en een in Den Haag in 1983, de laatste met ruim een half miljoen betogers. In november 1985 werd een volkspetitie tegen het NAVO-dubbelbesluit aangeboden aan premier Lubbers, met bijna vier miljoen handtekeningen. Het kabinet-Lubbers I gaf echter weinig krimp en ging uiteindelijk akkoord met de plaatsing van de kruisraketten op de vliegbasis in Woensdrecht. Het was de definitieve doodsteek voor de hervormingsgezinde acties uit de jaren ’70.

 

Ondertussen had Scouting Nederland een metamorfose ondergaan. In 1985 waren de Bevers als nieuwe speltak toegevoegd voor 5- tot 7- jarigen, met een eigen spelprogramma, genaamd De wereld van Lange Doener. Begin jaren ’90 zijn gemengde speltakken geïntroduceerd met Esta’s, Scouts en Explorers.

Scouting Nederland heeft zich momenteel ontwikkeld tot een eigentijdse jeugdbeweging. Het heeft alles van een moderne professionele organisatie: eigen doelstelling, missie en visie, een eigen Scouting-Academy, website en magazine, en met een eigen servicecentrum en een afdeling Juridische Zaken. De grondslag vormen nog steeds de ideeën van Lord Baden-Powell. Elke speltak heeft zijn eigen spelprogramma en ‘scoutfit’. Er wordt een keur aan trainingen aangeboden voor leiders en aspirant leiders t.b.v. professionaliteit en (sociale) veiligheid. Alvorens als leider bij Scouting aan de slag te gaan moet je een Verklaring Omtrent Gedrag overleggen.

 

Links - huidig embleem van Scouting Nederland; rechts – moderne scouts-badge. Bron: scouting.nl

Ondergetekende, als medewerker van een inrichting voor ‘zwakzinnigen’, in actie op een personeelsfeest (achteraan op de ski’s). De haren zijn al een stuk korter. Voorjaar 1981.

 

Voordat ik afsluit nog een persoonlijke anekdote uit de late jaren ‘70. Na mijn studie ben ik vanaf augustus ’79 twee jaar werkzaam geweest in wat toen de ‘zwakzinnigenzorg’ heette. Een uitdagende en leerzame tijd. Op het paviljoen waar ik werkte, werkte ook een vreemde snuiter, Arno genaamd. Hij was ongeschoold en ongelikt, maar had het hart op de goede plek.

Een van de bewoners – laten we haar Brigit noemen – was vrijwel onbenaderbaar. In haar buurt moest je verdraaid goed oppassen. Ze kon agressief worden en je soms letterlijk het vel van je arm krabben. Ze deed een moord voor koffie. Op bezoek buiten de inrichting, bij een uitje of een tandarts, moest ze ‘in de Zweedse banden’. ’s Nachts sliep ze onder een spanlaken.

Arno besloot verandering aan te brengen in Brigit’s troosteloze situatie. Zonder dat anderen (inclusief de nachtdienst) het merkten, sloop hij voor dag en dauw het paviljoen binnen, opende het spanlaken en ging rustig naast Brigit liggen, zonder verder iets te doen. Brigit verstarde, ze wist niet wat haar overkwam. Arno heeft dit vele malen achtereen volgehouden. Soms kwam hij met flinke schrammen op het werk en altijd had hij wel een smoes.

 

Brigit, zo meende Arno – en na veel insluipingen en schrammen kreeg hij gelijk –, had nooit echt intimiteit ervaren, maar hunkerde daar wel naar. Haar agressieve gedrag was hiervan een onbeholpen uiting. Na verloop van tijd stond de angstige Brigit toe dat Arno haar aanraakte, dat hij haar gezicht en haren streelde. Om een lang verhaal kort te maken, na enkele maanden kon Brigit vrij rondlopen door het paviljoen en over het terrein. Van een gevaarlijke heks was ze veranderd in een vriendelijke en benaderbare vrouw die dringend maar netjes om koffie vroeg. Wonderen bestaan en met Arno was zo’n wonder mogelijk geworden.

Hij bleef echter een ongelikte beer. Op de dag vóór zijn aangekondigde vertrek had hij alleen avonddienst. De ‘bewoners’ kregen van Arno een afscheidsfeest dat ze lang zouden heugen. Hij had een badkuip vol met stijfsel gemaakt. De bewoners mochten de hele woonruimte onder smeren, en elkaar met klodders bekogelen. Onderwijl was er taart en snoep en frisdrank. Wat een feest! Voldaan zijn de bewoners in bed gestopt. Arno sloot de zaal af en is de volgende dag met de noorderzon (en 5000 gulden, op een valse naam ‘geleend’ bij een bank) vertrokken naar Amerika. Ik heb hem nooit meer gezien. De collega die de volgende ochtenddienst had, heeft hem hartgrondig verwenst. Inderdaad, afwijkend gedrag. Dergelijk gedrag zou in de huidige tijd beslist niet worden getolereerd.

 

Tot slot. Wat hebben de toename van structuur, regulering, beheersbaarheid, controle en risicomijding in het maatschappelijk verkeer opgeleverd? Wanneer ik de jaren ’70 afzet tegen de huidige tijd, dan is er sprake van winst en verlies. Er is winst geboekt aan zorgvuldigheid, vastlegging, verantwoording en efficiency. We spreken in dit verband ook wel van professionaliteit. Dit heeft geleid tot een beter zicht op situaties en een sneller ingrijpen in geval van misstanden. Tevens heeft het een daling tot gevolg gehad van slachtoffers van onprofessioneel handelen.

Logischerwijze staat hiertegenover een verlies aan zorgzaamheid, creativiteit, verantwoordelijkheid en bedachtzaamheid. Gelijktijdig met het inperken van mogelijk misbruik van mogelijkheden is ook het (goede) gebruik van mogelijkheden sterk ingeperkt. Binnen de gereguleerde praktijk is het allemaal zakelijker geworden, minder spontaan en ludiek. De balans is doorgeslagen van sociaal naar neoliberaal.

 

Gelukkig spelen politiek en institutionalisering een ondergeschikte rol in veel vormen van het verenigingsleven. Scouting Nederland mag dan een professionele organisatie zijn, binnen de afzonderlijke Scoutingverenigingen is juist veel ruimte voor zorgzaamheid, creativiteit en eigen verantwoordelijkheid. Van een afstand bezien lijkt me de verhouding tussen het zakelijke en het ludieke aardig in balans.

 

 

Almelo, 7 april 2017

Paul Tempelaar

 

Zie ook: Beelden uit het hopmanloze tijdperk

 

>> Home <<