>> Home <<

 

Heilig dom

Onder toeziend oog van Leonardo da Vinci en vier van zijn gebeeldhouwde leerlingen steek ik de Piazza della Scala over en begeef me in de gezellige drukte van de Galleria Vittorio Emannuelle. Collega toeristen vergapen zich aan de etalages van Louis Vuitton en de Prada. Een menigte zakenlui – strak in kostuum, stropdas en deo – heeft bezit genomen van de trendy terrasjes in de overkapte winkelgalerij. Het is lunchtijd. De McDonalds wordt overspoeld door bezwete T-shirts – four McChicken, por favor!

De Galleria komt uit op de noordzijde van het Piazza del Duomo. Nadat ik enkele meters de hitte en het felle zonlicht van het plein in ben gelopen, blijf ik verbluft staan. Links van mij torent de Duomo hoog boven mij uit. Een kolossaal bouwwerk, blinkend in het zonlicht en rijk versierd met beeldhouwwerk, torenspitsen, luchtbogen en vensters. Wie deze Middeleeuwse wolkenkrabber voor het eerst aanschouwt, ontkomt niet aan een vorm van extase. Voor even maken de toeristische en zakelijke bedrijvigheid plaats voor een stil ontzag. De Duomo Maria Nascente is een eigentijdse voorvertoning van het hemelse Jeruzalem, het resultaat van een eeuwenlange, bovenmenselijke inspanning om met aardse middelen tot in de hemel te reiken. Kosten, moeite noch mensen zijn gespaard.

 

Binnen in de kathedraal vergaap ik me aan de uitbundige rijkdom van het interieur. Onmiskenbaar hebben de kerkbestuurders door de eeuwen heen in de uitgestalde kunstschatten een teken gezien van God’s goedgunstigheid. Men beriep zich daarbij bijvoorbeeld op Ezechiël 28.13: ‘[... zo zegt de Here God:] In Eden waart gij, God's hof; allerhande edelgesteente overdekte u: rode jaspis, chrysoliet en prasem, turkoois, chrysopraas en nefriet, lazuursteen, hematiet en malachiet. Van goud was het werkstuk, waarin zij waren gevat en aan u vastgehecht; toen gij geschapen werd, waren zij gereed.’ Kostbaarheden verheffen de geest ter meerdere glorie van God, ter legitimatie van de wereldlijke heerser en voor het genot van de welgestelde.

 

De eerste kathedralen ontstonden in een tijd van de grootste culturele daadkracht sinds de ondergang van het Romeinse Rijk. Een tijd ‘waarin braakland werd omgevormd tot weiden, velden en wijngaarden en de wijken van de stad zich steeds verder uitstrekten, van de drang die kooplieden naar de jaarmarkten en ridders naar het slagveld dreef en de franciscanen deed uittrekken om zielen te veroveren, van heel de daadkrachtige vreugde waardoor de nieuwe tijd werd bezield. De schepping was nog niet af en de mens droeg met zijn werk bij tot de voltooiing daarvan.’[1]

Van oorsprong behoorde de inventaris van een godshuis een afglans te zijn van God´s schepping – de ornamenten, beelden en schilderingen moesten op evenwichtige wijze een ‘compendium van de schepselen’ weerspiegelen. In dat evenwicht is in de loop der tijd behoorlijk de klad gekomen. Een gestage toestroom van kunstschatten kwam op gang onder het motto ‘Maak u vrienden in de hemel met de rijkdommen van ongerechtigheid’. Ieder jaar met Pasen was de verzameling beelden, schilderijen, offerschalen en altaren weer groter dan het jaar ervoor.

 

Specifieke personen hebben hun sporen achtergelaten in het Godshuis. De kerkvorsten uit het verleden zijn er als geschilderde of gebeeldhouwde kunstschat achtergebleven. Hun zegelring of tiara is achter glas te bewonderen. Ook zijn er monumenten ter nagedachtenis van wereldlijke leiders en rijke sponsoren, zoals de Medici’s, de Visconti’s en de Sforza’s.

Eén specifieke schat laat in zijn kale eenvoud de diepste indruk na bij sommige gelovigen. In een hoge kandelaar boven het hoofdaltaar is een spijker verwerkt waarmee volgens de overlevering Christus aan het kruis genageld zou zijn. Het kleinood zou samen met een andere heilige spijker door de moeder van keizer Constantijn naar Italië zijn gebracht. Een kleine zoektocht op internet met de zoekterm ‘holy nail’ doet echter vermoeden dat de onverlaten die Christus aan het kruis genageld hebben, geen half werk hebben verricht. In plaats van de destijds gebruikelijke twee – alleen voor de handen – zijn er alleen al in Europa bijna dertig heilige spijkers opgedoken, onder andere in Rome, Milaan, Monza, Venetië, Aken, Nürnberg en Praag.

 

Ik ben op een soort bedevaart, samen met mijn jongste zoon. Een bus brengt ons naar de Via dei Rospigliosi, een lange straat in West-Milaan, in een wijk die naar de heilige Sirus is vernoemd. Hier bevindt zich een heiligdom dat zich met de Duomo kan meten – het Stadeo Giuseppe Meazza, beter bekend als het San Siro stadion.

Van nature is de Duomo meer mijn ding. Het San Siro is meer van mijn zoon. We hebben beide zo onze stokpaardjes. Hij wint op punten als het gaat om kwantiteit. De Duomo biedt op hoogtijdagen plaats aan 40.000 mensen en één katholiek geloof, al is het dan wel dringen geblazen – het merendeel van de gelovigen moet sowieso staan. Het San Siro biedt een zitplaats aan ruim 80.000 bezoekers en twee plaatselijke voetbalclubs – AC en Internazzionale. De FIFA heeft een jaarlijkse begroting van ruim 1 miljard dollar, het Vaticaan moet het slechts met 250 miljoen euro doen.

 

Wat maakt een kathedraal zoveel waardevoller dan een voetbalstadion? Had je me dit tien jaar geleden gevraagd, dan had ik mijn schouders opgehaald en de wedervraag gesteld: ‘Is er dan iets waardevols aan voetbal?’ De waarde van een kathedraal staat buiten kijf. Het christelijke monument staat voor een cultureel erfgoed van vele eeuwen. Het christendom doordrenkt niet alleen de Europese middeleeuwen, ook het huidige Europa is ervan doortrokken. Nog geen twee eeuwen geleden was het christendom maatgevend op alle terreinen van het persoonlijke en maatschappelijke leven. Men leefde in een van God gegeven maatschappelijke orde. Weliswaar met de nodige misbruik, machtswellust en zelfzucht. Terecht worden we dan ook niet moe van het benadrukken van de misdaden die er in naam van Christus zijn begaan. Maar tegelijkertijd waren er die hoogstaande christelijke idealen die zo vele mensen hebben geïnspireerd tot naastenliefde, maar ook tot vindingrijkheid, kunstzinnigheid en stoutmoedigheid. Zelfs Nietzsche, de aanzegger van de dood van God, beschouwde het christendom als een springplank tot een hooggestemde cultuur: ‘De strijd tegen de druk die de christelijke kerk duizenden jaren heeft uitgeoefend […] heeft in Europa een magnifieke gespannenheid des geestes gecreëerd zoals deze op aarde nog niet bestond: met een zo strak gespannen boog kan men nu naar de verste doelen schieten.’[2]

 

Eenzelfde soort spanning treffen we aan in de bouw van eerste gotische bouwwerken in Noord-Frankrijk. Aan het einde van de twaalfde eeuw verrijzen in steden als Laon, Noyon, Parijs, Chartres en Bourges immense bouwwerken als boegbeelden voor de zich ontwikkelende stedelijke gemeenschappen. Licht, strak en spits – alles wat voorheen in de romaanse dom zo massief en robuust was, wordt nu weggelaten. De gotische kathedraal straalt in alles schoonheid, licht en immense ruimte uit, alsof ter plekke een glimp van de hemel opgevangen kan worden. Hoger en hoger worden de torens. Alsmaar groter worden de ramen – prachtig gebrandschilderd met taferelen die de mens een blik in de wereld aan gene zijde gunnen.

De bouwactiviteit die zich in de veertiende eeuw over Europa verspreidde, is te vergelijken met de industriële revolutie van de achttiende eeuw. Het feit dat er in vele grote steden verspreid over Europa overal dezelfde geavanceerde bouwtechniek en logistiek ter hand werd genomen gaf een ongekende impuls aan de Europese beschaving.

 

Nee, dan voetbal. In de catacomben van het San Sirostadion liggen voetbalschatten en relikwieën uitgestald. Kampioensschalen en –bekers uit de rijke voetbalhistorie van beide clubs. En ook foto’s, shirtjes en schoenen van de helden van weleer: Van Basten, Gullit en Rijkaard van AC Milan en Meazza en Rummenigge – inderdaad, Karl Heinz – van de Inter.

In een van de trofeeënkasten van Milan prijkt een foto van paus Johannes Paulus die een pontificaal portret van zichzelf overhandigt aan voorzitter Berlusconi en het voltallige clubbestuur. In een van de kasten van de concurrent ligt een vrijwel identieke foto maar dan met het voltallige Inter-bestuur. Je zou zweren dat de Kerk het voetbal waardevol acht.

 

We bezoeken de kleedkamers van beide clubs. We zien de massagetafels waarop de matadoren gereed gekneed worden voor de strijd. Wie weet draagt de tafel waar ik nu tegenaan leun volgende week wel de goddelijke Wesley Snijder. In de Milan-ruimte zijn allemaal persoonlijke zitplaatsen in een kring opgesteld. Hier puft mijn zoon uit in de privé stoel van icoon Clarence Seedorf.

Maar nu even alle gekheid op een stokje – vergeleken bij de wereld van de kathedralen is dit alles toch van een armzalige, opgeklopte nietszeggendheid. Zo zou ik er althans tien jaar geleden over gedacht hebben.

 

We aanschouwen het immense stadion vanaf de onderste rij zitplaatsen. Hier kan heel Almelo met gemak een zitplaats vinden. Zonder spelers en toeschouwers is het een dooie boel, maar tijdens een wedstrijd is dat wel anders – reken maar. Dat overwegende besef ik dat ik dat ik mijn oordeel over voetbal in de loop der jaren heb bijgesteld. Verantwoordelijk daarvoor is de bewuste zoon.

Zo’n tien jaar geleden deed hij het onoorbare voorstel om op voetbal te gaan. Ik was geheel van mijn stuk gebracht – dit had ik totaal niet verwacht. De andere kinderen hadden gelukkig nooit iets met voetbal gehad en ik ging ervan uit dat dit ook wel voor de jongste zou gelden. Niets was minder waar. Hij bleef hardnekkig bij zijn voornemen. Deze kinderwens moest en zou in vervulling gaan. Ik besloot het spelletje slim mee te spelen en actief bij te dragen aan de frustrerende uitwerking die dit platvloerse spelletje vroeg of laat op de tere kinderziel zou hebben. Hier wordt geen welopgevoed kind gelukkig van. Spoedig bleek dat de actieve houding van een modelvader binnen het clubvoetbal onmiddellijk wordt afgestraft. Voor ik het wist, was ik leider van een elftal met dartele E-jeugd, waaronder mijn zoon.

 

Om een lang verhaal kort te maken, mijn aanvankelijke frustratietactiek is langs de lijn in rook opgegaan. Het spelletje was veel te aanstekelijk. De voetballertjes veel te enthousiast. Op dit moment ben ik reeds voor het derde jaar de trotse bezitter van een seizoenkaart van Heracles Almelo. Eens in de twee weken zit ik samen met mijn zoon mee te brullen op de tribune. Ik laat me meeslepen in de armzalige, opgeklopte nietszeggendheid van een wedstrijd. Ik raak in extase van een mooie combinatie of van een doelpunt van Everton. Ik erger me mateloos aan een schwalbe van Suarez. Soms zelfs voel ik me opgenomen in het legioen. Wie had mij ooit zoveel onbezonnenheid toegedacht?

 

Wellicht moet ik me helemaal niet afvragen wat er nu cultureel meer van waarde is – een kathedraal of een voetbalstadion? Misschien moet ik de vraag anders stellen: waar zou ik liever naar toegaan – een live mis in de Duomo of een live wedstrijd in het San Siro? Je raadt het al: dat laatste natuurlijk. Van tevoren met zijn allen inzingen en leuzen scanderen. En als één man opstaan als de scheids en de grensrechters het veld opkomen met de voetbalhelden achter hen aan. Stil zijn voor het eerste fluitsignaal, met elkaar in koor zingen, genieten van de acties, uit je dak gaan bij een doelpunt en onweerstaanbaar opgenomen worden in de ‘wave’. Zeg nou zelf, wat is er hemelser dan dit?

Hier in het voetbalstadion heerst het moderne enthousiasme – het nieuwe ‘vertoeven in het goddelijke’ (en – thousia). Het is een moderne synthese van oude kerkelijke rituelen en middeleeuwse steekspelen. In deze massa kunnen enthousiasme, verbondenheid en agressie vrijelijk stromen, zodat een ieder na afloop weer gelouterd huiswaarts gaat. Dat krijgen ze in de oude Duomo niet meer voor elkaar.

 

Voor voetbal hoef je geen intellectueel te zijn. De charme ontstaat nou juist als je er niet teveel bij nadenkt. Je kunt gewoon meejuichen – of je nu heilig bent of dom. Eigenlijk is het allemaal kinderlijk eenvoudig. Het gaat alleen maar om de eigen clubkleuren (en of je club een beetje budget heeft). Het maakt niet uit wie er in het elftal spelen, waar ze vandaan komen of wie de trainer is. Voor mijn part komen ze allemaal uit het buitenland en worden ze volgend jaar weer allemaal doorverkocht. Gewoon, eens in de week een lekkere pot – wij tegen zij, that’s all. Dat is de pure eenvoud van het voetbal. Daar heb je geen eeuwen van bovenmenselijke inspanning voor nodig. Als gij niet zijt zoals de kinderen zult gij het koninkrijk der hemelen niet beërven.

 

 

>> Home <<

 



[1] Duby, G., De Kathedralenbouwers – Portret van de Middeleeuwse Maatschappij 980-1420 (1984), oorspronkelijke titel Le Temps des Cathédrales, vertaling G. Groot, uitgeverij Agon, Amsterdam, p169, 170

[2] Nietzsche, F., Voorwoord uit Voorbij Goed en Kwaad, Gesammelte Werke (2005), uitg. Godrom, Bindlach, p862